Voorwaarden voor mondelinge concessieovereenkomst

© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin

In dit vonnis, dat nadien bevestigd is in graad van hoger beroep, worden de toepassingsvoorwaarden van de concessie besproken en getoetst.

Voor het bestaan van een verkoopconcessie is in principe geen schriftelijke overeenkomst vereist. Aangezien deze in de regel afgesloten wordt tussen handelaars, is de vrije bewijsvoering van toepassing. Zodoende kan door alle bewijsmiddelen, inbegrepen het getuigenbewijs en vermoedens, aangetoond worden dat een concessieovereenkomst tot stand kwam.

Een concessieovereenkomst zal aangenomen worden wanneer er een "duurzame en georganiseerde" relatie bestaat tussen de concessiegever en de concessiehouder, met als wederzijds doel de verkoop te bevorderen.

De verschillende kopen dewelke tot stand komen, worden in het kader van de concessie aangegaan en zijn meer dan een loutere opvolging van aan- en verkopen.

In dit geval werd, zelfs nadat een eerdere schriftelijke overeenkomst niet werd verlengd, een mondelinge concessie aangenomen aangezien partijen nauwe contacten bleven onderhouden en er regelmatige besprekingen waren om de verkoop te optimaliseren.

Kortrijk 29 maart 2007

Volledige tekst:

De Rechtbank van Koophandel van het rechtsgebied Kortrijk, Provincie West-Vlaanderen, EERSTE KAMER, rechtsprekend:

In de zaak nr 1892/06 der algemene rol

De naamloze vennootschap N.Y.L. INTERNATIONAL, met vennootschapszetel te 2000 Antwerpen, Van Schoonbekeplein 4 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0441.771.256;

tegen :

De naamloze vennootschap DEVOS - CABY, met vennootschapszetel te 8540 Deerlijk, Vichtesteenweg 200 ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0451.862.919;


Gezien de inleidende dagvaarding, die regelmatig werd betekend aan verweerster op 16 mei 2006;
Gezien de stukken van rechtspleging;
Gezien de door partijen neergelegde dossiers;
Gehoord de partijen in hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 8 februari 2007, waarop de zaak in beraad werd genomen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken;

DE FEITEN EN RETROACTEN

Tussen N.Y.L. International en Devos-Caby kwam in 1994 een geschreven overeenkomst tot stand waarbij Devos-Caby er zich toe verbond om op maandelijkse basis 200.000 à 300.000 m² geweven tapijt 100 % polypropyleen, kwaliteit Reina, te leveren vanaf 3 januari 1994 tegen de prijs van 215 Bef per m². N.Y.L. International verbond er zich toe een bankgarantie te verschaffen van 20.000.000 Bef. Tot slot werd gesteld dat Devos-Caby aan N.Y.L. International volledige bescherming had gegeven om haar toe te laten het product op de Russische markt te commercialiseren wat de Reina kwaliteit betreft. De overeenkomst werd aangegaan voor een bepaalde duur tot 20 juli 1994. Op 14 april 1994 werd een bijvoegsel ondertekend waarbij Devos-Caby er zich toe verbond een boete van 20.000.000 Bef te betalen indien zij via een ander kanaal dan N.Y.L. International de Reina kwaliteit op de Russische markt zou verdelen.

Deze overeenkomst werd op 19 augustus 1994 verlengd tot eind 1997 met de mogelijkheid voor partijen om elk jaar over de voorwaarden te onderhandelen.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat na het verlopen van de termijn van voormelde overeenkomst, beide partijen de handelsrelatie hebben verder gezet, waarbij in de maanden januari en februari 1998 een omzet werd behaald van 2.994.112,33 $. Deze omzet kende een daling vanaf maart 1998 om in augustus 1998 een dieptepunt te bereiken. In die maand devalueerde de roebel tot 50% van zijn aanvankelijke waarde.

Uit het door Devos-Caby voorgelegd stuk blijkt dat de verkopen vanaf 2001 opnieuw stegen en dit tot 2005.

Op 4 november 2005 bevestigt dhr WD, bestuurder van Devos-Caby een telefonisch onderhoud met N.Y.L. International en antwoordt hij dat hij met K en J heeft gepraat, die hem de volgende informatie gegeven hebben. Zij stelden dat M (de afnemer van N.Y.L. International in Rusland) met VDW had gepraat over het oprichten van een gebouw in Moskou. Kort daarna was hij in contact gekomen met K en J teneinde hem technische ondersteuning te geven. Volgens hun informatie had M deze bijstand eerst gevraagd aan N.Y.L. International, die had meegedeeld hier niet in geïnteresseerd te zijn, waarop K en J in het project waren gestapt. Hij deelde mee dat de volgende mogelijkheden werden aangeboden, ofwel kocht NYL International de aandelen over van K en J (51%) ofwel neemt zij de aandelen over van M. Tot slot bevestigt hij dat hij volgens instructies van N.Y.L. International de productie van de hangende bestellingen opschort. Hij verzoekt te noteren dat het nooit de bedoeling van Devos-Caby is geweest om de toevoer van producten naar N.Y.L. International stop te zetten en deelt mee dat volgens zijn laatste informatie Magomed bereid was om alle aandelen over te nemen en het project zonder bijstand van buitenaf verder te zetten indien ‘the supplies" tot stilstand zou komen. De bestuurder van N.Y.L. International werd uitgenodigd om op 8 november rond de tafel te komen zitten.

Bij brief van 9 december 2005 verwijst N.Y.L. International naar haar laatste telefoongesprek met KD en bevestigt zij dat Devos-Caby bezorgd is om de schade die zij N.Y.L. International toebrengt door op rechtstreekse basis met haar klant samen te werken. Zij deelt mee dat zij deze oneerlijke mededinging niet kan aanvaarden vermits hun samenwerking gebaseerd is op onderling vertrouwen en zij een hoog risico heeft genomen bij het opstarten van de handel zodat zij thans schade lijdt door het afbreken van de handelsrelatie. Zij deelt mee dat zij de openstaande facturen niet zal betalen in afwachting van een voorstel tot regeling.

Bij brief van 14 december 2005 deelt Devos-Caby mee dat zij kennis heeft genomen van de brief van N.Y.L. International en dat volgens haar informatie dhr KD reeds een voorstel heeft gedaan om compensatie voor de geleden schade. Vermits zij de juiste details van het voorstel niet kent, deelt zij mee dat N.Y.L. International welkom is teneinde er over te praten. Anderzijds beklemtoont Devos-Caby dat zij niet zinnens zijn om de leveringen aan N.Y.L. International te stoppen. Zij wijst erop dat zij in het verleden reeds diverse malen de prijzen heeft doen dalen teneinde N.Y.L. International te ondersteunen en haar toe te laten haar marktaandeel te behouden. Zij stelt dat zij hiertoe zelfs onder kostprijs heeft verkocht als bewijs van haar loyaliteit ten aanzien van N.Y.L. International, als zijnde de onderneming met wie zij gedurende jaren heeft samengewerkt om haar aandeel in de Russische markt op te bouwen. Zij deelt mee dat zij om die reden verbaasd was dat N.Y.L. International twee orders heeft geannuleerd die reeds klaar stonden om naar Moskou verscheept te worden. Zij deelt mee dat de beslissing om een bedrijf te starten in Moskou werd genomen door de jonge generatie en niets te maken heeft met het functioneren van Devos-Caby, vermits deze vennootschap niet in hun bezit is, doch dat zij niet kan beletten dat zij hun eigen weg gaan. Zij is van oordeel dat de betaling van de facturen en de vordering om een vergoeding te bekomen als aparte zaken dienen behandeld te worden.

Bij brief van 23 december 2005 deelt Devos-Caby aan N.Y.L. International mee dat zij, omwille van de slechte economische toestand, heeft beslist om drie machines voor het maken van polypropyleen tapijten te verkopen zodat zij vanaf januari niet meer dezelfde productiecapaciteit zal hebben.

Bij brief van 6 januari 2006 bevestigt N.Y.L. International dat KD eind oktober/begin november haar had gecontacteerd teneinde mee te delen dat zij de intentie hadden om een vergoeding te betalen voor de geleden schade, doch dat zij sedertdien niets meer van K heeft vernomen. Wat de bestellingen van N.Y.L. International ten aanzien van Devos-Caby betreft, verzoekt zij mee te delen over welke bestellingen het gaat. Bovendien verwijst zij naar het feit dat zij op de hoogte is van het feit dat er rechtstreekse leveringen gebeuren tussen M en Devos-Caby. In haar brief schetst zij verder het verloop van de samenwerking tussen Devos-Caby en M zoals zij dit heeft kunnen afleiden uit de verklaringen van M. Verder is zij van oordeel dat Devos-Caby onterecht voorhoudt dat KD niets te maken zou hebben met de Russische markt vermits hij altijd aanwezig was op de vergaderingen hieromtrent en deze persoon diverse malen mee was gegaan op bezoek in Rusland. Tot slot geeft zij een aantal voorbeelden waarom volgens haar Devos-Caby lopende de overeenkomst niet altijd loyaal is geweest, onder meer door het feit dat zij was gestart met het onderzoek naar de mogelijkheid om rechtstreeks op de Russische markt te werken, hetgeen aanvankelijk door Devos-Caby werd afgescheept en thans zonder haar weten en medewerking toch wordt verder gezet.

Bij brief van 23 maart 2006 verzoekt de raadsman van N.Y.L. International aan Devos-Caby om hem mee te delen of zijn cliënte de discussie op minnelijke wijze wenst op te lossen en of er een raadsman voor haar optreedt teneinde desgevallend samen besprekingen aan te vatten.

Op 30 maart 2006 deelt de raadsman van N.Y.L. International mee verbaasd te zijn over het antwoord van Devos-Caby dat zij geen weet heeft van enige vordering van N.Y.L. International ten aanzien van Devos-Caby. Hij verzoekt om de goede trouw te laten primeren en dringt aan op een gesprek.

Vermits geen regeling volgt, laat N.Y.L. International bij exploot betekend op 16 mei 2006 overgaan tot dagvaarding voor deze rechtbank.



DE VORDERING - STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

N.Y.L. International vordert dat :
- Devos-Caby zou veroordeeld worden om haar een bedrag te betalen van euro 495.787,05 provisioneel uit hoofde van billijke vergoeding conform de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop. In conclusies vordert zij de betaling van een provisie van euro 515.000 en de aanstelling van een gerechtsdeskundige;
- Devos-Caby zou veroordeeld worden om haar euro 1 provisioneel te betalen uit hoofde van een bijkomende billijke vergoeding;
- Devos-Caby zou veroordeeld worden om haar euro 1 provisioneel te betalen uit hoofde van pre-contractuele aansprakelijkheid. In conclusies vordert zij hiervoor een bedrag van euro 25.000;
- in ondergeschikte orde, Devos-Caby zou veroordeeld worden om haar euro 500.000 te betalen uit hoofde van contractbreuk.


Devos-Caby is van oordeel dat :
- de vordering ongegrond is vermits er geen sprake kan zijn van een concessieovereenkomst, minstens er geen toepassing kan gemaakt worden van de wet van 27 juli 1961 vermits de concessie niet werd uitgeoefend op het Belgisch grondgebied;
- de vordering wat de pre-contractuele aansprakelijkheid ongegrond is vermits er geen sprake is van het foutief afbreken van onderhandelingen.



BEOORDELING

1. De vordering op basis van het bestaan van een concessieovereenkomst
1.1. De aard van de overeenkomst
Er is sprake van een concessieovereenkomst indien er kan worden aangetoond dat er een duurzame en georganiseerde relatie bestaat tussen de concessiegever en de concessiehouder, die door partijen gewenst is en die erop gericht is in hun wederzijds voordeel de verkoop te stimuleren van de producten van de concessiegever (Meeussen Ingrid, Bestendig Handboek Distributierecht, Deel V Verkoopconcessie, Kluwer, Mechelen,V.2-7; Brussel, 22 november 2001, J.T., 2002, 242; Brussel 8 februari 2001, T.B.H., 2003, afl. 6, 500, noot KILESTE, P.; T.B.H., 2003, afl. 6, 500, noot DE SCHOUTHEETE, A.; Kh. Bergen 15 maart 2001, T.B.H., 2002, afl. 2, 145). Zo omschrijft de wet van 27 april 1961 de verkoopconcessie als de overeenkomst krachtens welke een concessiegever aan een of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen, die hijzelf vervaardigt of verdeelt.

Binnen dit kader komen dan de diverse koop - verkoopovereenkomsten tot stand. Op die wijze onderscheidt de verkoopconcessie zich van een simpele opeenvolging van aan- en verkopen, hoe talrijk zij ook zijn en welke duurtijd zij ook hebben (Luik 19 januari 1999, T.B.H., 2000, 190).

De rechtbank is van oordeel dat uit de diverse voorgelegde stukken blijkt dat er sprake is van een intentioneel element tussen partijen die heeft uitgemond in een georganiseerde relatie.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen aanvankelijk een geschreven overeenkomst tot stand kwam waarvan de bewoordingen derwijze zijn opgesteld dat deze overeenkomst als een concessieovereenkomst dient te worden beschouwd, onder meer het feit dat de concessiehouder een bescherming verkrijgt op het gebied dat hij bewerkt (m.n. Rusland) en de concessiegever bij overtreding een forfaitaire vergoeding verschuldigd is. Devos-Caby merkt terecht op dat deze overeenkomst niet werd verlengd en dat de manier van uitvoeren door de economische omstandigheden is gewijzigd, m.n. wat de omzet betrof.

Dit belet echter niet dat de rechtbank vaststelt dat N.Y.L. International vanaf 1998 in verdere handelsrelatie bleef met Devos-Caby, waarbij Devos-Caby in haar brief van 14 december 2005 duidelijk stelt dat zij via N.Y.L. International hun marktaandeel in de Russische markt opbouwden en dit blijkbaar voor haar volledig gamma tapijten en hiervoor ten aanzien van N.Y.L. International inspanningen heeft verricht onder meer door een tijdje onder de prijs te verkopen. Verder blijkt uit haar briefwisseling dat zij spontaan spreekt over een vergoeding voor de schade die N.Y.L. International lijdt ten gevolge van het gedrag van bepaalde van haar kaderleden. Dergelijke elementen tonen aan dat N.Y.L. International in hoofde van Devos-Caby meer was dan een simpele koper van tapijten.

Dit wordt verder bevestigd door het feit dat Devos-Caby, ondanks sommatie van N.Y.L. International hiertoe, niet aantoont dat er naast N.Y.L. International nog andere verkopers van haar tapijten op de Russische markt actief waren en door het feit dat Devos-Caby niet ontkent dat er tussen partijen regelmatig contacten waren teneinde de verkoop te optimaliseren.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er tussen partijen na 1997 een mondelinge concessieovereenkomst tot stand is gekomen.


1.2. De toepasselijke wetgeving
N.Y.L. International is van oordeel dat zij, rekening houdend met de concessieovereenkomst tussen partijen, zich kan beroepen op de bepalingen van art. 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961. Devos-Caby daarentegen houdt voor dat deze wet niet van toepassing is vermits het territorium van de concessie gelegen is op het Russisch grondgebied.

Uit het geheel van het artikel 4 van voormelde wet alsmede uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 juli 1961, volgt dat wanneer de verkoopsconcessie uitsluitend buiten het Belgische grondgebied uitwerking heeft, in geval van beëindiging van die verkoopsconcessie, de dwingende bepalingen van de voormelde wet in beginsel niet toepasselijk zijn. De dwingende bepalingen van die wet zijn in dit geval alleen toepasselijk wanneer de overeenkomst tussen concessiehouder en concessiegever uitdrukkelijk die wet toepasselijk stelt op de overeenkomst tussen de partijen. Een algemene verwijzing in de concessieovereenkomst naar het Belgisch recht als het recht dat de overeenkomst beheerst, volstaat niet om die dwingende bepalingen toepasselijk te maken (Cass., 6 april 2006, juridat).

De wet van 27 juli 1961 heeft immers een auto limitatief karakter, hetgeen inhoudt dat zij behoudens uitdrukkelijke wilsovereenstemming van partijen niet van toepassing is op concessies die zich afspelen buiten het Belgisch grondgebied, zelfs niet indien de rechtsverhouding tussen partijen in algemene zin wordt geregeld door het Belgisch recht.

N.Y.L. International kan derhalve geen aanspraak maken op de toepassing van de wet van 27 juli 1961. De overeenkomst tussen partijen wordt dan ook volledig geregeld door het gemeen recht.


1.3. De beëindiging
N.Y.L. International houdt voor dat Devos-Caby op onrechtmatige wijze de overeenkomst zou hebben beëindigd door rechtstreeks samen te werken met haar afnemer in Rusland, M.

De rechtbank stelt vast dat Devos-Caby niet betwist dat er gesprekken werden gevoerd tussen bepaalde van haar kaderleden en M teneinde een productie-eenheid op te starten. Zij houdt echter voor dat zijzelf noch haar bestuurders betrokken waren bij de samenwerking en niet in staat waren om haar kaderleden (die eveneens behoorden tot de familie van de bestuurders) tegen te houden vermits het risico bestond dat deze het bedrijf zouden verlaten om een concurrerende positie in te nemen.

De rechtbank stelt echter vast dat N.Y.L. International aantoont dat de vier bestuurders van Devos-Caby op 2 juni 2005 de BVBA Middlehoff hebben opgericht. Deze vennootschap heeft tot doel "trading, aan- en verkoop van, in- en uitvoer van, commissiehandel en vertegenwoordiging in tapijten". Daarnaast wijst zij er op dat op 14 november 2005 de Commanditaire Vennootschap op aandelen Epeko werd opgericht die als doel heeft de vestiging en ontwikkeling van ondernemingen, zowel in het buitenland als in België. Tot slot stelt de rechtbank vast dat op 23 december 2005 Devos-Caby drie machines heeft verkocht aan Turkije.

Devos-Caby bewaart het stilzwijgen nopens deze firma's en stelt uitsluitend dat zij er niets mee te maken hebben.

De rechtbank is van oordeel dat voor een correcte beoordeling van deze zaak een aantal bijkomende stukken in de debatten dienen te worden gebracht.

Zo wenst de rechtbank in het bezit te worden gesteld van de boekhouding over het jaar 2005/2006 van Middlehoff en Epeko. Verder wenst de rechtbank in het bezit gesteld te worden van het grootboek klanten van Devos-Caby en van de facturen waarbij de drie weefgetouwen waarvan sprake in de brief van 23 december 2005 werden verkocht.



OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,

Wijzende op tegenspraak;

Alle andere middelen afwijzend als niet ter zake dienend, minstens ze voorlopig onverlet latend;

Verklaart de vordering ontvankelijk;

Vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde;

Toepassing makend van art. 775 en 877 Ger.W.;

Beveelt aan Middlehoff Consortium BVBA, met zetel te Deerlijk, Vichtesteenweg 200 een voor eensluidend verklaard afschrift van de boekhoudkundige bescheiden over het jaar 2005/2006 voor te leggen;

Beveelt aan Epeko CVA, met maatschappelijke zetel te Deerlijk, Wafelstraat 34 een voor eensluidend verklaard afschrift van de boekhoudkundige bescheiden over het jaar 2005/2006 voor te leggen;

Beveelt dat Devos-Caby NV haar grootboek klanten en de facturen nopens de verkoop van de machines waarvan sprake in de brieven van 23 december 2005 neerlegt;

Zegt voor recht dat het afschrift van deze gegevens zal neergelegd worden ter griffie voor donderdag, 24 mei tweeduizend en zeven;

Stelt de zaak voor verdere behandeling op de buitengewone zitting van de 1ste kamer op donderdag 14 juni 2007 om 14.30 uur;

Houdt de uitspraak over de kosten aan;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling;

Aldus het vonnis uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting van NEGENENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN ZEVEN.

MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.

Zoeken



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be