Wet Handelspraktijken WHPC

© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin

De Wet Handelspraktijken (WHPC) werd vervangen door de Wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (WMPC) met inwerkingtreding vanaf 12 mei 2010.

Op haar beurt werd deze wet vervangen door het Wetboek Economisch Recht vanaf 31 mei 2014.

 

Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en 
bescherming van de consument, B.S., 29 augustus 1991, err., B.S., 10 oktober 1991 

Hoofdstuk I. Algemene definities 

Art. 1 

Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder: 

1. produkten: alle lichamelijke roerende zaken; 
2. diensten: alle prestaties die een handelsdaad uitmaken of een ambachtsactiviteit bedoeld in de 
wet op het ambachtsregister; 
3. homogene diensten: alle diensten waarvan de eigenschappen en de modaliteiten identiek of 
gelijkaardig zijn, ongeacht onder meer het ogenblik, de plaats van de uitvoering, de 
dienstverstrekker of de persoon voor wie ze bestemd zijn; 
4. etikettering: de vermeldingen, aanwijzingen, gebruiksaanwijzingen, warenmerken, afbeeldingen 
of tekens die betrekking hebben op een produkt of op een homogene dienst en die voorkomen op 
het produkt zelf of op enig verpakkingsmiddel, document, bordje, etiket, band of label dat bij dit 
produkt of bij deze dienst is gevoegd of daarop betrekking heeft; 
5. op de markt brengen: de invoer met het oog op de verkoop, het bezit met het oog op de 
verkoop, de tekoopaanbieding, de verkoop, het huuraanbod van produkten en diensten, de 
verhuring van produkten en diensten, de afstand onder bezwarende titel of gratis, als deze 
verrichtingen worden gedaan door een verkoper; 
6. verkoper: 
a) elke handelaar of ambachtsman en elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, die produkten of 
diensten te koop aanbieden of verkopen in het kader van een beroepsactiviteit of met het oog op 
de verwezenlijking van hun statutair doel; 

b) de overheidsinstellingen of de rechtspersonen waarin de overheid een overwegend aandeel 
heeft, die een commerciële, financiële of industriële activiteit aan de dag leggen en die produkten 
of diensten te koop aanbieden of verkopen; 

c) de personen die, hetzij in eigen naam, hetzij in naam of voor rekening van een al dan niet met 
rechtspersoonlijkheid beklede derde, met of zonder winstoogmerk, een commerciële, financiële of 
industriële activiteit uitoefenen en die produkten of diensten te koop aanbieden of verkopen; 

7. consument: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die, uitsluitend voor nietberoepsmatige 
doeleinden, op de markt gebrachte produkten of diensten verwerft of gebruikt; 
8. de Minister: de Minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren; 
 
Deze wet is niet van toepassing op effecten en andere financiële instrumenten bedoeld in de 
wetgeving betreffende de financiële transacties en de financiële markten.  

Afdeling 1. Prijsaanduiding 
Art. 2 

§ 1. 

Behalve bij openbare verkopen, moet elke verkoper die aan de consument produkten te koop 
aanbiedt, de prijs hiervan schriftelijk en ondubbelzinnig aanduiden. 
Indien de produkten te koop uitgestald zijn, moet de prijs bovendien leesbaar en goed zichtbaar 

zijn aangeduid. 
§ 2. 
Elke verkoper die aan de consument diensten aanbiedt, moet het tarief hiervan schriftelijk, 


leesbaar, goed zichtbaar en ondubbelzinnig aanduiden. 


Art. 3 

De aangeduide prijs of het aangeduide tarief moet de door de consument te betalen totale prijs of 
het totale tarief zijn, waaronder is begrepen: de belasting over de toegevoegde waarde, alle 
overige taksen en de kosten van alle diensten die door de consument verplicht moeten worden 
bijbetaald. 

Art. 4 

De prijzen en tarieven worden minstens aangeduid. 

 [[...] 

De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, op de voordracht van de minister van 
Economie of van de minister die de Middenstand in zijn bevoegdheid heeft, de dubbele 
aanduiding opleggen van prijzen en tarieven in Belgische frank en in euro voor de periode die Hij 
bepaalt, hetzij op algemene wijze, hetzij voor de producten en diensten of categorieën van 
producten en diensten die Hij aanwijst. 

Hij kan eveneens de producten en diensten, categorieën van producten en diensten of verkopen 
op afstand aanwijzen, waarvoor deze verplichting niet geldt. 

De Koning kan bijzondere regeIs stellen voor de dubbele aanduiding in euro en Belgische frank.] 

 [...] 

Art. 5 

Elke aanduiding van een prijs- of tariefvermindering, die wordt uitgedrukt door een bedrag of een 
kortingspercentage, moet geschieden: 

a) hetzij door vermelding van de nieuwe prijs naast de oude doorgehaalde prijs; 


b) hetzij door de vermeldingen “nieuwe prijs”, “oude prijs” naast de overeenstemmende bedragen; 

c) hetzij door de vermelding van een kortingspercentage en de nieuwe prijs naast de oude 
doorgehaalde prijs; 

d) hetzij door de vermelding van het eenvormig kortingspercentage dat is verleend voor de 
produkten en diensten of voor de categorieën van produkten en diensten waarop deze vermelding 
slaat. In beide gevallen moet de aankondiging vermelden of de prijsvermindering al dan niet werd 
toegepast. 

In geen geval mag een prijsvermindering van een produkt of dienst aan de consument worden 
voorgesteld als een gratis aanbod van een hoeveelheid van het produkt of van een gedeelte van de 
dienst. 

Art. 6 

Voor de produkten en diensten of categorieën van produkten en diensten die Hij aanwijst, kan de 
Koning: 

1. bijzondere regels stellen inzake de prijsaanduiding en de aankondigingen van de 
prijsverminderingen en prijsvergelijkingen; 
2. vrijstellen van de verplichting de prijs goed zichtbaar aan te duiden in geval van uitstalling 
voor verkoop; 
3. voor de diensten of de categorieën van diensten die niet beantwoorden aan de definitie van 
homogene diensten bepalen in welke gevallen en volgens welke regels een voorafgaand bestek aan 
de consument moet worden afgeleverd, voor zover deze hierom verzoekt en de verkoper bereid is 
de dienst te verlenen. 
Afdeling 2. Aanduiding van de hoeveelheid 

Art. 7 

Voor de toepassing van deze afdeling moet worden verstaan onder: 

1. los verkochte produkten: produkten die slechts worden gemeten of gewogen in aanwezigheid 
van de koper of door hemzelf; 
2. per stuk verkochte produkten: produkten die niet kunnen worden gefractioneerd zonder hun 
aard of eigenschappen te wijzigen; 
3. geconditioneerde produkten: produkten die een fractionering, weging, telling of meting 
ondergaan hebben, zelfs tijdens het fabricageproces, al dan niet gevolgd door een verpakking, en 
met het doel die verrichtingen overbodig te maken bij de verkoop; 
4. voorverpakte produkten: de geconditioneerde produkten die verpakt zijn alvorens te koop te 
worden aangeboden ongeacht de aard van de verpakking, die het produkt geheel of slechts ten 
dele bedekt, maar op zo'n wijze dat de inhoud niet kan worden veranderd zonder dat de 
verpakking wordt geopend of gewijzigd. 
Met deze definitie worden bedoeld: 


a) voorverpakte produkten in vooraf bepaalde hoeveelheden: zodanig voorverpakte produkten dat 
de in de verpakking aanwezige hoeveelheid overeenstemt met een vooraf gekozen waarde; 

b) voorverpakte produkten in variabele hoeveelheden: zodanig voorverpakte produkten dat de in 
de verpakking aanwezige hoeveelheid niet overeenstemt met een vooraf gekozen waarde; 

5. meeteenheid: de eenheid die overeenstemt met de definities van de wet van 16 juni 1970 
betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen en met die van haar 
uitvoeringsbesluiten; 
6. vulbedrijf: hij die de produkten werkelijk voorverpakt met het oog op de verkoop; 
7. conditioneerder: hij die de produkten conditioneert met het oog op de verkoop; 
8. nominale hoeveelheid: de nettohoeveelheid van het produkt die de voorverpakking wordt 
geacht te bevatten. 
Art. 8 

§ 1. 

Elk geconditioneerd produkt bestemd voor de verkoop moet op de verpakking, of bij ontstentenis 
ervan op het produkt zelf, leesbaar, goed zichtbaar en ondubbelzinnig, de nominale hoeveelheid 
vermelden uitgedrukt in een meeteenheid. 

§ 2. 

Voor de produkten geconditioneerd in hoeveelheden van meer dan 10 kg of 10 l en bestemd voor 
de groothandel, moet de nominale hoeveelheid uitgedrukt in een meeteenheid leesbaar, goed 
zichtbaar en ondubbelzinnig aangebracht worden, ofwel op de verpakking, of bij ontstentenis 
ervan, op het produkt zelf, ofwel op de factuur, de verzendingsnota of enig ander document dat 
bij de levering wordt afgegeven of verstuurd. 

§ 3. 

Voor de produkten die geleverd worden per vrachteenheid van meer dan 10 kg of 10 l moet de 
nominale hoeveelheid uitgedrukt in een meeteenheid aangebracht worden op een weeg- of 
meetdocument, dat bij de levering aan de koper wordt overhandigd. 

Art. 9 

De verplichting om de nominale hoeveelheid aan te duiden, rust op het vulbedrijf of op de 
conditioneerder, al naargelang van het geval. 

Indien de produkten worden ingevoerd, rust de verplichting om de nominale hoeveelheid aan te 
duiden op de invoerder. 

De verplichting om de nominale hoeveelheid aan te duiden, rust evenwel op degene die de 
conditionering of de voorverpakking heeft laten uitvoeren, wanneer hij, al naargelang van het 
geval, het vulbedrijf, de conditioneerder of de invoerder schriftelijk van dit voornemen op de 
hoogte heeft gebracht. 


Art. 10 

Indien de nominale hoeveelheid niet vermeld is overeenkomstig de bepalingen van artikel 8, § 1, 
van deze wet , mag de verkoper de produkten slechts te koop aanbieden aan de consument, nadat 
hij de hoeveelheid uitgedrukt in meeteenheden, leesbaar, goed zichtbaar en ondubbelzinnig heeft 
aangeduid op de verpakking of bij ontstentenis ervan op het produkt zelf of op een bordje 
geplaatst dichtbij het produkt. 

Onverminderd de toepassing van artikel 37, § 2, moet de hoeveelheid niet vermeld worden voor 
de los verkochte produkten, die gemeten of gewogen worden in aanwezigheid van de consument 
of door hemzelf. 

Art. 11 

De aanduidingen van de meetinstrumenten waarmee de hoeveelheid van de los verkochte 
produkten wordt bepaald, moeten voor de consument goed leesbaar en goed zichtbaar zijn. 

Art. 12 

 Voor de produkten of categorieën van produkten die Hij aanwijst, kan de Koning: 

1. bijzondere regels stellen inzake de aanduiding van de hoeveelheid; 
2. vrijstellen van de door de artikelen 8 tot 10 opgelegde verplichtingen; 
3. vrijstellen van het aanduiden van de nominale hoeveelheid in een meeteenheid en een andere 
verkoopeenheid voorschrijven; 
4. de toelaatbare afwijkingen van de aangeduide nominale hoeveelheid ten opzichte van de 
werkelijke hoeveelheid vaststellen, alsook de wijze van controle op deze afwijkingen; 
5. de nominale hoeveelheden vastleggen voor de inhoud en/of de recipiënten van produkten die 
bestemd zijn om op de markt te worden gebracht; 
6. de aanduiding van het aantal stuks voorschrijven, dat een voorverpakking bevat en de 
toelaatbare afwijkingen vaststellen van het aangeduide aantal ten opzichte van het werkelijke 
aantal, alsook de wijze van controle op deze afwijkingen. 
Afdeling 3. Benaming, samenstelling en etikettering van de produkten en van de diensten 

Art. 13 

 

Als de etikettering dwingend is voorgeschreven, moet ze toegepast worden in de vorm en met de 
inhoud bepaald door de reglementering. 

De vermeldingen van de etikettering moeten goed zichtbaar en leesbaar zijn en duidelijk 
onderscheiden van de reclame. 


In geen geval mag de etikettering aldus worden voorgesteld dat verwarring met een 
kwaliteitscertificaat mogelijk is. 

Art. 14 

§ 1. 

De Koning kan, onverminderd de bevoegdheid die Hem is verleend op het gebied van de 
volksgezondheid, met het oog op het waarborgen van de eerlijkheid van de handelsverrichtingen 
of de bescherming van de consument: 

a) voor de produkten of categorieën van produkten die Hij aanwijst, de etikettering voorschrijven 
en de vermeldingen en andere elementen ervan vaststellen; 

b) de voorwaarden van menging, samenstelling, presentatie, kwaliteit en veiligheid vastleggen, 
waaraan de produkten moeten voldoen om al dan niet onder een bepaalde benaming op de markt 
te mogen worden gebracht; 

c) verbieden dat produkten onder een bepaalde benaming op de markt worden gebracht; 

d) het gebruik van een bepaalde benaming opleggen voor produkten die op de markt worden 
gebracht; 

e) opleggen dat aan de benamingen waaronder produkten op de markt worden gebracht, tekens, 
woorden of uitdrukkingen worden toegevoegd bedoeld om de betekenis ervan te verduidelijken; 

f) verbieden dat bepaalde tekens, woorden of uitdrukkingen worden toegevoegd aan de 
benamingen waaronder produkten op de markt worden gebracht. 

§ 2. 

Alvorens een besluit ter uitvoering van de voorgaande paragraaf voor te stellen, raadpleegt de 
Minister de Raad voor het Verbruik en de Hoge Raad voor de Middenstand en bepaalt de termijn 
waarbinnen het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies 
niet meer vereist. 

Art. 15 

Met naleving van de vormen bepaald in artikel 14, § 2, kan de Koning, met het oog op het 
waarborgen van de eerlijkheid van de handelsverrichtingen of de bescherming van de consument, 
voor homogene diensten of categorieën van homogene diensten: 

a) vaststellen welke beschrijving van, welke algemene vermeldingen over de diensten aan de 
consument moeten worden meegedeeld en op welke wijze; 

b) verbieden dat diensten onder een bepaalde benaming op de markt worden gebracht; 

c) het gebruik van een bepaalde benaming opleggen voor diensten die op de markt worden 
gebracht; 

d) opleggen dat aan de benamingen waaronder diensten op de markt worden gebracht, tekens, 
woorden of uitdrukkingen worden toegevoegd bedoeld om de betekenis ervan te verduidelijken; 


e) verbieden dat bepaalde tekens, woorden of uitdrukkingen worden toegevoegd aan de benaming 
waaronder diensten op de markt worden gebracht. 

Wanneer ter uitvoering van dit artikel te treffen maatregelen betrekking hebben op de financiële 
diensten, worden die maatregelen gezamenlijk voorgesteld door de Minister van Economische 
Zaken en de Minister van Financiën. 

Hoofdstuk III. Benaming van oorsprong 

Art. 16 

Voor de toepassing van deze wet moet onder benaming van oorsprong worden verstaan de 
geografische benaming van een land, een streek of een plaats dienende om een produkt aan te 
wijzen dat er herkomstig van is en waarvan de kwaliteit en de eigenschappen uitsluitend of 
wezenlijk toe te schrijven zijn aan het geografisch milieu met inbegrip van de natuurlijke en 
menselijke factoren. 

Art. 17 

Onverminderd de toepassing van alle andere wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende 
de produkten, kan de Koning, op voordracht van de Minister van Middenstand: 

1. de benamingen aanwijzen die moeten worden beschouwd als benamingen van oorsprong, 
toepasselijk op Belgische produkten andere dan de benamingen van regionale of lokale aard; 
2. de voorwaarden vaststellen waaraan deze produkten moeten voldoen om onder een bepaalde 
benaming van oorsprong vervaardigd, te koop aangeboden en verkocht te mogen worden. 
De geografische benaming die doorgaans wordt gebruikt om het soort produkt of de presentatie 
ervan aan te duiden, is als dusdanig geen benaming van oorsprong. 

Art. 18 

Alvorens enig besluit ter uitvoering van artikel 17 voor te dragen plaatst de Minister van 
Middenstand in het Belgisch Staatsblad een bericht waarin de benaming die hij meent te kunnen 
beschouwen als een benaming van oorsprong, wordt omschreven en waarbij iedere 
belanghebbende persoon of vereniging wordt uitgenodigd om zijn of haar opmerkingen te 
formuleren binnen een maand na die bekendmaking. 

De Minister van Middenstand raadpleegt eveneens de Kamer van ambachten en neringen ingesteld 
voor de provincie of de provincies waar de produkten vandaan komen die eventueel onder een 
benaming van oorsprong kunnen worden aangeduid en hij bepaalt de termijn waarbinnen het 
advies moet worden gegeven. 

Art. 19 

Teneinde een conform gebruik te waarborgen van de benamingen van oorsprong, erkend ter 
uitvoering van artikel 17, kan de Koning: 

1. overgaan tot de erkenning van een of meer instellingen die tot taak zullen hebben door middel 
van attesten van oorsprong te bevestigen dat de onder een bepaalde benaming van oorsprong 

verkochte produkten voldoen aan de voorwaarden vastgesteld bij het koninklijk besluit dat die 
benaming van oorsprong erkent; 

2. de vervaardiging, de tekoopaanbieding en de verkoop van produkten onder een bepaalde 
benaming van oorsprong afhankelijk stellen van het bezit van een individueel of collectief attest 
van oorsprong uitgaand van een erkende instelling. 
De Koning bepaalt de voorwaarden en de waarborgen die deze instellingen moeten bieden om 
erkend te worden, evenals het bedrag van de kosten die zij mogen aanrekenen voor het afgeven 
van attesten van oorsprong. 

Art. 20 

Het is verboden: 

1° gebruik te maken van een benaming die wordt voorgesteld als een benaming van oorsprong, 
terwijl een dergelijke benaming niet als benaming van oorsprong is erkend; 

2° onder een benaming van oorsprong, produkten te vervaardigen, te koop aan te bieden en te 
verkopen die niet voldoen aan de voorwaarden gesteld inzake de erkenning van de benaming van 
oorsprong; 

3° onder een benaming van oorsprong, produkten te vervaardigen, te koop aan te bieden en te 
verkopen zonder in het bezit te zijn van een attest van oorsprong, wanneer een dergelijk attest 
vereist is. 

Art. 21 

 Het onrechtmatig gebruik van een benaming van oorsprong blijft verboden ondanks: 

1° de toevoeging, aan de bedoelde benaming van oorsprong, van enige term en onder meer van 
verbeterende termen als “soort”, “type”, “wijze”, “gelijksoortig”; 

2° het feit dat de betwiste benaming gebruikt zou zijn om de herkomst van het produkt aan te 
duiden; 

3° het gebruik van vreemde woorden wanneer deze woorden enkel de vertaling zijn van een 
benaming van oorsprong of wanneer die verwarring kunnen stichten met een benaming van 
oorsprong. 

 

 

Hoofdstuk IV. [...] 

Wetshistoriek 

Hoofdstuk IV (art. 22 tot 29bis) opgeheven bij art. 43, 1° W. 5 juni 2007 (B.S., 21 juni 2007), met 
ingang van 1 december 2007 (art. 44). 

Art. 22 

[...] 

Art. 23 

[...] 

Art. 24 

[...] 

Art. 25 

[...] 

Art. 26 

[...] 

Art. 27 

[...] 

Art. 28 

[...] 

Art. 29 

[...] 


Hoofdstuk V. Algemene bepalingen betreffende de verkopen van produkten en diensten aan 
de consument 

Afdeling 1. Verplichting tot voorlichting van de consument 

Art. 30 

Ten laatste op het ogenblik van het sluiten van de verkoop moet de verkoper te goeder trouw aan de consument de behoorlijke en nuttige voorlichting geven betreffende de kenmerken van het produkt of de dienst en betreffende de verkoopsvoorwaarden, rekening houdend met de door de consument uitgedrukte behoefte aan voorlichting en rekening houdend met het door de consument meegedeelde of redelijkerwijze voorzienbare gebruik. 

Afdeling 2. Onrechtmatige bedingen 

Art. 31 

§ 1. 

Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder onrechtmatig beding, elk beding of elke voorwaarde die, alleen of in samenhang met een of meer andere bedingen of voorwaarden, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen. 

§ 2. 

 Voor de toepassing van deze afdeling moet worden verstaan onder: 

1° producten: niet enkel de lichamelijke roerende zaken, maar ook de onroerende zaken, de rechten en de verplichtingen; 

2° verkoper: niet enkel de personen bedoeld in artikel 1, 6, maar ook iedere andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, uitgezonderd de titularissen van een vrij beroep zoals bepaald in artikel 2, 1°, van de wet van 3 april 1997 betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten gesloten tussen titularissen van vrije beroepen en hun cliënten, die bij een overeenkomst afgesloten met een consument handelt in het kader van zijn beroepsactiviteit. 

§ 3. 

Voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter van een beding van een overeenkomst worden alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de producten of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. 

De beoordeling van het onrechtmatige karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren producten of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. 

§ 4. 


Indien alle of bepaalde bedingen van de overeenkomst schriftelijk zijn, moeten ze duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. 

Ingeval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. Deze uitleggingsregel is niet van toepassing in het kader van vordering tot staking bepaald in artikel 95.

Art. 32 

In de overeenkomsten gesloten tussen een verkoper en een consument, zijn onrechtmatig de bedingen en voorwaarden of de combinaties van bedingen en voorwaarden die ertoe strekken: 

1. bij de ondertekening van het contract een onmiddellijke en definitieve verbintenis van de consument te voorzien terwijl de verkoper zich verbindt onder een voorwaarde waarvan de verwezenlijking enkel van zijn wil afhangt; 
2. de prijs te doen schommelen op basis van elementen die enkel afhangen van de wil van de verkoper. 

Deze bepaling doet geen afbreuk: 

– aan bedingen van prijsindexering, voor zover deze niet onwettig zijn en de wijze waarop de prijzen worden aangepast expliciet beschreven is in de overeenkomst, 
– aan bedingen waarbij de verkoper van financiële diensten zich het recht voorbehoudt het tarief van deze diensten te wijzigen, mits de verkoper verplicht wordt dit ter kennis te brengen van de consument binnen een redelijke opzegtermijn en deze vrij is onmiddellijk de overeenkomst op te zeggen, 
– aan bedingen waarbij de verkoper van financiële diensten zich het recht voorbehoudt de door of aan de consument te betalen rentevoet te wijzigen, zonder enige opzegtermijn in geval van geldige reden, mits de verkoper verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van de consument en deze vrij is onmiddellijk de overeenkomst op te zeggen;
3. de verkoper het recht te verlenen om de kenmerken van het te leveren produkt of de te verlenen dienst eenzijdig te wijzigen indien die kenmerken wezenlijk zijn voor de consument, of voor het gebruik waartoe hij het produkt of de dienst bestemt, althans voor zover dit gebruik aan de verkoper was medegedeeld en door hem aanvaard of voor zover, bij gebrek aan een dergelijke specificatie, dit gebruik redelijkerwijze was te voorzien; 
4. de leveringstermijn van een produkt of de uitvoeringstermijn van een dienst eenzijdig te bepalen of te wijzigen; 
5. de verkoper het recht te verlenen om eenzijdig te beslissen of het geleverde produkt of de verleende dienst overeenstemt met de overeenkomst of hem het exclusieve recht te geven om één of ander beding van de overeenkomst te interpreteren; 
6. de consument te verbieden de ontbinding van de overeenkomst te vragen ingeval de verkoper zijn verbintenis niet nakomt; 

7. het recht van de consument te beperken om de overeenkomst op te zeggen, wanneer de verkoper, in het raam van zijn , zijn verbintenis om het produkt te herstellen niet of niet binnen een redelijke termijn nakomt; 
8. de consument ertoe te verplichten zijn verbintenissen na te komen, terwijl de verkoper de zijne niet is nagekomen, of in gebreke zou zijn deze na te komen; 
9. onverminderd de bepalingen van artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, de verkoper toe te staan de overeenkomst eenzijdig te ontbinden of te wijzigen zonder schadeloosstelling voor de consument, behoudens overmacht; 
10. zelfs bij overmacht, de consument niet toe te staan de overeenkomst te ontbinden dan tegen betaling van een schadevergoeding; 
11. de verkoper te ontslaan van zijn aansprakelijkheid voor zijn opzet, zijn grove schuld of door die van zijn aangestelden of lasthebbers of voor het niet-uitvoeren van een verbintenis die een van de voornaamste prestaties van de overeenkomst vormt; 
12.  
13. een onredelijk korte termijn te bepalen om gebreken aan de verkoper te melden; 
14. de consument te verbieden zijn schuld tegenover de verkoper te compenseren met een schuldvordering die hij op hem zou hebben; 
15. het bedrag vast te leggen van de vergoeding verschuldigd door de consument die zijn verplichtingen niet nakomt, zonder in een gelijkwaardige vergoeding te voorzien ten laste van de verkoper die in gebreke blijft; 
16. de consument voor een onbepaalde termijn te binden, zonder duidelijke vermelding van een redelijke opzeggingstermijn; 
17. de overeenkomst voor een onredelijke termijn te verlengen indien de consument niet tijdig opzegt ; 
18. de bewijsmiddelen die de consument kan aanwenden, te beperken; 
19. in geval van betwisting, de consument te doen afzien van elk middel tot verhaal tegen de verkoper; 
20. de eiser toe te staan zijn vordering, op grond van een contractueel bedongen keuze van woonplaats, voor een andere rechter in te leiden dan die welke is aangewezen in artikel 624, 1°, 2° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek onverminderd de toepassing van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van de beslissingen in burgerlijke en handelszaken, goedgekeurd bij de wet van 13 januari 1971; 

21. in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de koper, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die duidelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de verkoper kan worden geleden; 
22. de verkoper toe te laten de overeenkomst te beëindigen of te wijzigen omwille van de invoering van de euro. 
Deze bepaling is niet van toepassing op de bedingen die het voorwerp zijn geweest van een individuele onderhandeling. 

Als de verkoper beweert dat het beding het voorwerp is geweest van een individuele onderhandeling dan draagt hij daarvan de bewijslast. 

Een beding wordt echter onweerlegbaar geacht niet het voorwerp geweest te zijn van een individuele onderhandeling als het is opgesteld voorafgaand aan de sluiting van het contract en de consument daardoor geen invloed heeft kunnen hebben op de inhoud ervan, zoals in het kader van een toetredingscontract;

22bis. de wettelijke aansprakelijkheid van de verkoper uit te sluiten of te beperken bij overlijden of lichamelijk letsel van de consument ten gevolge van een doen of nalaten van deze verkoper; 

23. op onweerlegbare wijze de instemming van de consument vast te stellen met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst; 
24. de verkoper toe te staan door de consument betaalde bedragen te behouden wanneer deze afziet van het sluiten van de overeenkomst, zonder erin te voorzien dat de consument een gelijkwaardig bedrag aan schadevergoeding mag ontvangen van de verkoper wanneer deze laatste afziet; 
25. de verkoper toe te staan de door de consument betaalde voorschotten te behouden ingeval de verkoper zelf de overeenkomst opzegt; 
26. de verplichting van de verkoper te beperken om de verbintenissen na te komen die door zijn gevolmachtigden zijn aangegaan, of diens verbintenissen te laten afhangen van het naleven van een bijzondere formaliteit; 
27. op ongepaste wijze de wettelijke rechten van de consument ten aanzien van de verkoper of een andere partij in geval van volledige of gedeeltelijke wanprestatie of van gebrekkige uitvoering door de verkoper van een van diens contractuele verplichtingen uit te sluiten of te beperken; 
28. te voorzien in de mogelijkheid van overdracht van de overeenkomst door de verkoper, wanneer hierdoor de garanties voor de consument zonder diens instemming geringer kunnen worden;
29. de voor een product of een dienst aangekondigde prijs te verhogen omwille van de weigering van de consument om via bankdomiciliëring te betalen; 
30. de voor een product of een dienst aangekondigde prijs te verhogen omwille van de weigering van de consument om zijn facturen via elektronische post te ontvangen.

Art. 33 

[§ 1. 

 Elk onrechtmatig beding in de zin van de bepalingen van deze afdeling is verboden en nietig. 

De overeenkomst blijft bindend voor de partijen, indien de overeenkomst zonder de onrechtmatige bedingen kan voortbestaan. 

 De consument kan niet afzien van de rechten die hem bij deze afdeling worden toegekend. 

§ 2. 

Een beding dat de wet van een Staat die geen lid is van de Europese Unie op de overeenkomst toepasselijk verklaart, wordt wat de in deze afdeling geregelde aangelegenheden betreft voor niet geschreven gehouden wanneer bij gebreke van dat beding de wet van een Lidstaat van de Europese Unie toepasselijk zou zijn en die wet de consument in de genoemde aangelegenheden een hogere bescherming verleent.] 

Art. 34 

Teneinde het evenwicht van de rechten en de plichten tussen partijen te verzekeren bij de verkoop van produkten of diensten aan de consument of teneinde de eerlijkheid bij commerciële transacties te verzekeren, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, voor de sectoren van de handelsactiviteit of voor de categorieën van produkten en diensten die Hij aanwijst, het gebruik van bepaalde bedingen voorschrijven of verbieden in de verkoopcontracten, aangegaan met de consument. Hij kan ook het gebruik van typecontracten opleggen. 

Alvorens een besluit ter uitvoering van het eerste lid voor te stellen, raadpleegt de Minister de Commissie voor Onrechtmatige Bedingen en de Hoge Raad voor de Middenstand en bepaalt de termijn waarbinnen het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies niet meer vereist. 

Afdeling 3. Commissie voor Onrechtmatige Bedingen 

Art. 35 

§ 1. 

De Koning richt binnen de Raad voor het Verbruik, op de voorwaarden die Hij bepaalt, een 
Commissie voor Onrechtmatige Bedingen op. 
§ 2. 


De Commissie neemt kennis van de bedingen en voorwaarden die in tekoopaanbiedingen en in 
verkopen van produkten en diensten tussen verkopers en consumenten voorkomen. 

§ 3. 
Op de Commissie kan een beroep worden gedaan door de Minister, de consumentenorganisaties, 
door [...] de betrokken interprofessionele en bedrijfsgroeperingen. 

 

 Zij kan ook van ambtswege optreden. 
§ 4. 

 De Koning bepaalt de samenstelling van de Commissie voor Onrechtmatige Bedingen. 
Art. 36 
§ 1. 
De Commissie beveelt aan: 
1° de schrapping of wijziging van bedingen en voorwaarden die haar kennelijk het evenwicht 
tussen de rechten en verplichtingen van de partijen lijken te verstoren, ten nadele van de 
consument; 

2° de invoeging van vermeldingen, bedingen en voorwaarden die haar voor de voorlichting van de 
consument noodzakelijk lijken of waarvan de ontstentenis haar kennelijk het evenwicht tussen de 
rechten en verplichtingen van de partijen lijkt te verstoren, ten nadele van de consument; 

3° de bedingen en voorwaarden zo op te stellen en op te maken dat de consument de betekenis en 
de draagwijdte ervan kan begrijpen. 

[...] interprofessionele en bedrijfsgroeperingen of consumentenorganisaties kunnen de commissie 
om advies verzoeken over ontwerpen van bedingen of voorwaarden die in tekoopaanbiedingen en 
in verkopen van produkten en diensten tussen verkopers en consumenten voorkomen. 

§ 2. 

In het raam van haar bevoegdheden stelt de Commissie aan de Minister wijzigingen in de wetten 
of verordeningen voor die haar wenselijk lijken. 

§ 3. 

De Commissie stelt jaarlijks een verslag op over haar werkzaamheden en maakt dit verslag 
bekend. Dat verslag omvat onder meer de volledige tekst van de aanbevelingen en voorstellen die 
zij in de loop van het jaar gedaan heeft. 

Afdeling 4. Documenten betreffende de verkopen van produkten en van diensten 
Art. 37 

§ 1. 

Elke verkoper van diensten is verplicht aan de consument die erom verzoekt, gratis een bewijsstuk 
af te geven. Deze verplichting vervalt indien de prijs van de dienst voorkomt op het tarief 
opgelegd bij artikel 2, § 2, van deze wet , of indien een bestek of factuur die de in § 2 genoemde 
vermeldingen bevat, wordt afgegeven. 

Onder de toepassing van dit artikel vallen niet de overeenkomsten die onder de benaming 
“forfaitair bedrag” of onder enige andere gelijkwaardige benaming zijn aangegaan en die het 
verlenen van een dienst tot voorwerp hebben voor een vast totaalbedrag dat voorafgaand aan de 
dienstverlening is overeengekomen en dat op deze dienst in zijn geheel betrekking heeft. 


§ 2. 
De Koning: 

– bepaalt, hetzij op algemene wijze, hetzij voor de diensten of categorieën van diensten die Hij 
aanwijst, de vermeldingen die op het bewijsstuk moeten voorkomen; 
– kan de diensten of categorieën van diensten die Hij aanwijst, ontheffen van de toepassing van 
dit artikel; 
– kan de produkten of categorieën van produkten aanwijzen waarop dit artikel van toepassing zal 
zijn;[ 
– kan, in afwijking van § 1 van dit artikel, voor de diensten of categorieën van diensten die Hij 
bepaalt, de verkoper verplichten aan de consument gratis een bewijsstuk af te geven waarvan Hij 
de vermeldingen en de modaliteiten bepaalt.] 
[§ 3. 

De besluiten uitgevaardigd in toepassing van de vierde gedachtenstreep van § 2 van dit artikel 
worden door de Minister van Economische Zaken onderworpen aan het advies van de Raad voor 
het Verbruik. De Minister van Economische Zaken bepaalt de termijn waarbinnen het advies moet 
verstrekt worden. Indien het advies niet verstrekt werd binnen de voorziene termijn, is het niet 
meer vereist.] 

Art. 38 

De consument moet de geleverde diensten slechts betalen bij de afgifte van het gevraagde 
bewijsstuk, indien deze afgifte dwingend is voorgeschreven krachtens artikel 37. 

Art. 39 

Elke verkoper is verplicht een bestelbon af te geven wanneer de levering van een produkt of de 
verlening van een dienst uitgesteld wordt en er door de consument een voorschot wordt betaald. 

De gegevens van de bestelbon binden hem die de bon heeft opgemaakt, ongeacht algemene of 
bijzondere, andere of strijdige voorwaarden. 

De Koning kan de vermeldingen vaststellen die op de bestelbon moeten voorkomen. 

 


 
 


Vorige versie(s) 
 

Hoofdstuk VI. Bepaalde handelspraktijken 
Afdeling 1. Verkopen met verlies 
Art. 40 

Het is elke handelaar verboden een produkt met verlies te koop aan te bieden of te verkopen. 


Als een verkoop met verlies wordt beschouwd, elke verkoop tegen een prijs die niet ten minste 
gelijk is aan de prijs waartegen het produkt bij de bevoorrading werd gefactureerd of waartegen 
het bij de herbevoorrading gefactureerd zou worden. 

Met een verkoop met verlies moet worden gelijkgesteld elke verkoop die slechts een uiterst 
beperkte winstmarge verschaft, waarbij rekening wordt gehouden met deze prijzen evenals met de 
algemene kosten. 

Bij de beoordeling van het gewone of uitzonderlijk beperkte karakter van de winstmarge zal er 
onder meer rekening worden gehouden met het verkoopvolume en de vernieuwing van de 
voorraden. 

De Koning kan voor de aan de consument te koop aangeboden of verkochte produkten of 
categorieën van produkten die Hij aanwijst en voor een termijn van hoogstens zes maanden, bij in 
Ministerraad overlegd besluit, de minimale handelsmarge vaststellen, beneden welke een verkoop 
als verkoop met verlies wordt beschouwd. 

Alvorens een besluit ter uitvoering van het voorgaande lid voor te stellen, raadpleegt de Minister 
de Commissie tot Regeling der Prijzen en bepaalt de termijn waarbinnen het advies moet worden 
gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies niet meer vereist. 

Art. 41 

§ 1. 

Het in artikel 40 bedoelde verbod geldt evenwel niet: 

a) voor de produkten die uitverkocht worden; 

b) voor de produkten die in het kader van een opruiming verkocht worden; 

c) voor de afzet van produkten waarvan de waarde snel kan verminderen en die niet langer 
bewaard kunnen worden; 

d) voor de produkten, speciaal te koop aangeboden om aan een voorbijgaande behoefte van de 
consument tegemoet te komen, wanneer het gebeuren of de kortstondige bevlieging, die deze 
behoefte deed ontstaan, voorbij is en indien deze produkten klaarblijkelijk niet meer onder de 
gewone handelsvoorwaarden kunnen worden verkocht; 

e) voor de produkten waarvan de handelswaarde aanzienlijk is gedaald door een beschadiging 
ervan, een vermindering van de gebruiksmogelijkheden of door een grondige wijziging van de 
techniek; 

f) wanneer de prijs van het produkt, om dwingende redenen van mededinging, afgestemd wordt 
op de prijs die in het algemeen door andere handelaars voor hetzelfde produkt aangerekend 
wordt. 

§ 2. 

De contractuele bedingen waarbij verkoop met verlies wordt verboden, kunnen niet ingeroepen 
worden tegen degene die het produkt verkoopt in het geval bedoeld in § 1, c). 

Zij gelden evenmin in de overige genoemde gevallen, indien degene die verkoopt aan de fabrikant 
of, zo die onbekend is, aan de leverancier van het produkt, bij een ter post aangetekende brief, 


zijn bedoeling met verlies te zullen verkopen evenals de prijzen die hij wil aanrekenen, ter kennis 
heeft gebracht en voor zover de hierboven genoemde persoon, binnen vijftien werkdagen vanaf 
deze kennisgeving, aan degene die verkoopt, op dezelfde wijze, niet heeft voorgesteld deze 
produkten terug te nemen tegen de prijzen zoals die in de kennisgeving vermeld zijn. 

Afdeling 2. Aankondigingen van prijsverminderingen en -vergelijkingen 

Art. 42 

Onder de bepalingen van deze afdeling vallen de aankondigingen van verminderingen van de 
verkoopprijs aan de consument, waartoe overeenkomstig artikel 5 is overgegaan, evenals die 
welke een prijsvermindering suggereren zonder gebruik te maken van een van de mogelijkheden 
bedoeld in artikel 5. 

Art. 43 

§ 1. 

Elke verkoper die een prijsvermindering aankondigt, moet verwijzen naar de prijs die hij voordien 
voor gelijke produkten of diensten placht toe te passen in dezelfde inrichting. 

§ 2. 

De aangekondigde prijsverminderingen moeten reëel zijn. Behalve voor de produkten waarvan de 
waarde snel kan verminderen, kan geen enkele prijs noch tarief als gebruikelijk worden 
beschouwd indien hij niet werd toegepast gedurende een doorlopende periode van één maand, 
onmiddellijk voorafgaand aan de datum vanaf welke de verminderde prijs wordt toegepast. 

De datum vanaf welke de verminderde prijs wordt toegepast, moet aangeduid blijven gedurende 
de ganse verkoopperiode. 

Behalve voor de uitverkopen mag deze periode ten hoogste één maand bedragen en, behalve voor 
de produkten bedoeld in artikel 41, § 1, c), mag zij niet korter zijn dan een volle verkoopdag. 

§ 3. 

Voor de produkten te koop aangeboden op de wijze bepaald in artikel 49, wordt als gebruikelijk 
beschouwd, de prijs die tijdens de in artikel 53 bedoelde periodes op ononderbroken wijze werd 
toegepast. 

§ 4. 

mag de verkoper slechts naar andere prijzen 
verwijzen indien hij het leesbaar, goed zichtbaar en ondubbelzinnig aankondigt en indien het gaat 
om een kleinhandelsprijs die werd gereglementeerd met toepassing van een wet .] In dat geval 
mag hij niet overgaan tot de aanduidingswijzen van een prijsvermindering bedoeld in artikel 5. 

§ 5. 

Niemand mag tot de aankondiging van een prijsvermindering of van een prijsvergelijking 
overgaan, indien hij niet kan staven dat de prijs waarnaar hij verwijst, beantwoordt aan de 
voorwaarden gesteld in dit artikel. 


Art. 44 

De Koning wijst de produkten, de diensten of de categorieën van produkten of diensten aan 
waarvoor de aankondigingen van verminderingen van de prijs of het tarief, als bedoeld in artikel 
42, verboden zijn en bepaalt de voorwaarden en de toepassingsperioden van dat verbod. 

Alvorens een besluit ter uitvoering van het voorgaande lid voor te stellen, raadpleegt de Minister 
de Raad voor het Verbruik en de Hoge Raad voor de Middenstand en bepaalt de termijn 
waarbinnen het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies 
niet meer vereist. 

Art. 45 

Indien buiten de inrichting een in de tijd begrensde prijsvermindering wordt aangekondigd, is de 
verkoper die niet meer over de betrokken produkten beschikt, verplicht aan de consument, voor 
elk produkt van meer dan waarvan de voorraad uitgeput is, een bon af te geven die recht 
geeft op de aankoop van dat produkt en wel binnen een redelijke termijn en in de bewoordingen 
van het aanbod, behalve wanneer het onmogelijk is onder dezelfde voorwaarden een nieuwe 
voorraad aan te leggen. 

Dit artikel is niet van toepassing bij opruimingen of bij uitverkopen. 

De Koning kan het bedrag vermeld in het eerste lid aanpassen. 

Afdeling 3. Uitverkopen 

Art. 46 

Voor de toepassing van deze wet moet onder uitverkoop worden verstaan elke tekoopaanbieding 
of verkoop die aangekondigd is onder de benaming “Uitverkoop”, “Liquidation” of “Ausverkauf” of 
onder enige andere gelijkwaardige benaming en die geschiedt met het oog op de versnelde afzet 
van een voorraad of van een assortiment van produkten in een van de volgende gevallen: 

1. de verkoop heeft plaats ter uitvoering van een rechterlijke beslissing; 
2. de erfgenamen of rechtverkrijgenden van een overleden verkoper stellen hun verworven 
voorraad geheel of gedeeltelijk te koop; 
3. de verkoper stelt de voorraad overgedragen door degene van wie hij de handel overneemt, 
geheel of gedeeltelijk te koop; 
4. de verkoper die zijn activiteit stopzet, stelt zijn gehele voorraad te koop, mits hij nochtans 
tijdens de drie voorafgaande jaren geen gelijkaardige produkten om dezelfde reden uitverkocht 
heeft; 
5. verbouwingen of opknapbeurten die meer dan duren, worden uitgevoerd in de 
lokalen waar gewoonlijk de verkoop aan de consument plaatsvindt en zij maken er de verkoop 
tijdens de periode van de werkzaamheden onmogelijk, mits de verkoper nochtans tijdens de drie 
voorafgaande jaren geen gelijkaardige produkten om dezelfde reden uitverkocht heeft; 
6.  

7. ernstige schade werd door een ramp aan de gehele produktenvoorraad of aan een belangrijk 
gedeelte ervan toegebracht; 
8. door overmacht wordt de activiteit aanzienlijk gehinderd; 
 
Art. 47 

Het is verboden een verkoop aan te kondigen door middel van de benaming “Uitverkoop”, 
“Liquidation” of “Ausverkauf”, hetzij alleen, hetzij samen met andere woorden, alsmede van elke 
andere gelijkwaardige benaming, in gevallen die niet in artikel 46 bedoeld zijn en indien de 
voorwaarden die voor dergelijke verkopen gelden, niet vervuld zijn. 

Art. 48 

§ 1. 

Behalve in het geval als bedoeld in artikel 46, 1, mag geen uitverkoop plaatsvinden noch 
aangekondigd worden, indien de verkoper vooraf zijn voornemen om daarmee een aanvang te 
maken niet ter kennis heeft gebracht van de Minister of van de door hem daartoe aangewezen 
ambtenaar. 

Deze kennisgeving, gedaan bij een ter post aangetekende brief, moet de datum vermelden van het 
begin van de verkoop en moet het bestaan van één van de gevallen, als bedoeld in artikel 46, 
vermelden en aantonen. 

Er mag slechts overgegaan worden tot uitverkoop tien werkdagen na de verzending van de 
aangetekende brief, behalve in de gevallen genoemd in artikel 46, 7 en 8. 

 

Elke aankondiging of andere reclame betreffende een uitverkoop moet verplicht de 
aanvangsdatum van de verkoop vermelden. 

§ 2. 

Behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 46, 1 en 7, moet elke uitverkoop plaatsvinden in de 
lokalen waar hetzij de verkoper zelf, hetzij de overleden of overdragende verkoper dezelfde 
produkten placht te koop te stellen. 

De verkoper die meent zich onmogelijk te kunnen schikken naar deze bepaling, moet de Minister 
of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar, bij een ter post aangetekende brief om een 
afwijking verzoeken en hierbij de aangevoerde redenen en de plaats waar hij de uitverkoop wenst 
te houden, nader omschrijven. Binnen tien werkdagen wordt over dit verzoek beslist. Indien er 


binnen deze termijn geen met redenen omklede afwijzing wordt meegedeeld, wordt de afwijking 
geacht te zijn toegestaan. 

§ 3. 

In uitverkoop mogen slechts produkten te koop aangeboden of verkocht worden die, op het 
ogenblik van de gerechtelijke beslissing als bedoeld in artikel 46, 1, op het ogenblik van de ramp 
als bedoeld in artikel 46, 7, of op de dag van de kennisgeving als bedoeld in § 1, deel uitmaken 
van de voorraad van de verkoper. 

In uitverkoop mogen nochtans eveneens te koop aangeboden of verkocht worden, de produkten 
die op het ogenblik van de gerechtelijke beslissing als bedoeld in artikel 46, 1, of op het ogenblik 
van het overlijden van de verkoper als bedoeld in artikel 46, 2, of op het ogenblik van de ramp als 
bedoeld in artikel 46, 7, of op het ogenblik van de hinder als bedoeld in artikel 46, 8, het voorwerp 
zijn geweest van een bestelling die, gelet op haar omvang en datum, als normaal kan worden 
beschouwd. 

Indien de verkoper diverse verkoopsinrichtingen bezit, mogen, zonder de toestemming van de 
Minister of van de door hem daartoe aangewezen ambtenaar, geen produkten worden 
overgebracht van een inrichting naar de plaats waar de uitverkoop plaatsvindt. 

De toestemming moet worden aangevraagd bij een ter post aangetekende brief met vermelding 
van de omstandigheden die het verzoek rechtvaardigen. Over dit verzoek wordt binnen tien 
werkdagen beslist. Bij ontstentenis van een met redenen omklede afwijzing binnen deze termijn, 
wordt verondersteld dat het toegestaan is de produkten over te brengen. 

§ 4. 

Behalve in het geval als bedoeld in artikel 46, 1, moet elk produkt dat uitverkocht wordt of ten 
uitverkoop aangeboden wordt, een prijsvermindering ondergaan die reëel is ten opzichte van de 
prijs die gewoonlijk voor dezelfde produkten gevraagd werd, overeenkomstig de bepalingen van 
artikel 43, hetzij door de verkoper zelf, hetzij door de overleden of overdragende verkoper. 

Afdeling 4. Opruimingen of solden 

Art. 49 

Voor de toepassing van deze wet moet onder opruiming of solden worden verstaan: elke 
tekoopaanbieding of verkoop aan de consument van produkten, waartoe wordt overgegaan met 
het oog op de seizoenopruiming van het assortiment van een verkoper, wat geschiedt door 
versnelde afzet, tegen verminderde prijs van de produkten en welke wordt aangekondigd onder de 
benaming “Opruiming”, “Solden”, “Soldes” of “Schlussverkauf” of onder elke andere 
gelijkwaardige benaming. 


Art. 50 

Het is verboden een verkoop aan te kondigen met de benaming “Opruiming”, “Solden”, “Soldes” of 
“Schlussverkauf” hetzij alleen, hetzij samen met andere woorden, alsook door middel van enige 
andere benaming of voorstelling waarbij de indruk van een opruiming wordt gewekt in een geval 
dat niet is bedoeld in artikel 49 en indien de voorwaarden die voor een dergelijke verkoop gelden, 
niet vervuld zijn. 

Art. 51 

§ 1. 

De verkoop moet geschieden in de lokalen waar de opgeruimde of identieke produkten gewoonlijk 
te koop worden aangeboden. 

§ 2 

Enkel de produkten die de verkoper bij het begin van de opruiming in zijn bezit heeft en die hij 
vóór deze datum op gewone wijze te koop heeft aangeboden, mogen het voorwerp zijn van een 
opruiming. 

§ 3. 

Elk produkt dat bij de opruiming te koop aangeboden of verkocht wordt, moet het voorwerp zijn 
van een prijsvermindering die reëel is ten opzichte van de prijs gewoonlijk aangerekend voor 
identieke produkten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 43. 

Art. 52 

§ 1. 
 
 
§ 2. 
Voor de andere produkten of categorieën van produkten die Hij bepaalt, kan de Koning voor het 


gehele Rijk de periodes vaststellen tijdens welke kan worden opgeruimd. Bij ontstentenis van een 
dergelijke regeling mogen de opruimingen enkel plaatsvinden tijdens de in § 1 bedoelde periodes. 
§ 3. 
De Koning kan de modaliteiten vaststellen volgens welke de opruimingen plaatsvinden. 
§ 4. 


Alvorens een besluit ter uitvoering van §§ 2 en 3 voor te stellen, raadpleegt de Minister de Raad 
voor het Verbruik en de Hoge Raad voor de Middenstand en bepaalt de termijn waarbinnen het 
advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies niet meer vereist. 


Art. 53 

§ 1. 

 

Vóór een sperperiode, is het verboden om aankondigingen evenals suggesties van 
prijsverminderingen te verrichten, die uitwerking hebben gedurende deze sperperiode. 

Onverminderd de bepalingen van artikel 48, § 4, mogen de uitverkopen verricht gedurende een 
sperperiode niet gepaard gaan met een aankondiging van prijsvermindering tenzij in de gevallen 
en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt.] 

§ 2. 

 

§ 3. 

Alvorens een besluit ter uitvoering van § 2, eerste lid, voor te stellen, raadpleegt de Minister de 
Raad voor het Verbruik en de Hoge Raad voor de Middenstand en bepaalt de termijn waarbinnen 
het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies niet meer 
vereist. 

§ 4. 

Het verbod op de aankondiging van een prijsvermindering bedoeld in §§ 1 en 2 is niet van 
toepassing op de verkoop van produkten verricht ter gelegenheid van occasionele 
handelsmanifestaties, die maximum vier dagen duren en die maximum eenmaal per jaar worden 
georganiseerd door de plaatselijke verenigingen van verkopers of met hun medewerking. 

De Koning kan de voorwaarden bepalen waaronder deze manifestaties mogen plaatsvinden. 


Afdeling 5. Gezamenlijk aanbod van produkten en diensten 
Art. 54 

Er is gezamenlijk aanbod, als bedoeld in dit artikel, wanneer de al dan niet kosteloze verkrijging 
van produkten, diensten, alle andere voordelen, of titels waarmee men die kan verwerven, 
gebonden is aan de verkrijging van andere zelfs gelijke produkten of diensten. 

Behoudens de hierna bepaalde uitzonderingen is elk gezamenlijk aanbod aan de consument, 
verricht door een verkoper, verboden. Ook verboden is elk gezamenlijk aanbod aan de consument, 
verricht door verscheidene verkopers die handelen met een gemeenschappelijke bedoeling. 

Art. 55 

Het is geoorloofd gezamenlijk tegen een totale prijs aan te bieden: 

1. produkten of diensten die een geheel vormen; 
De Koning kan, op voordracht van de bevoegde Ministers en van de Minister van Financiën, de in 
de financiële sector aangeboden diensten aanduiden die een geheel vormen; 

2. gelijke produkten of diensten, op voorwaarde: 
a) dat elk produkt en elke dienst afzonderlijk tegen zijn gewone prijs in dezelfde inrichting 
verkregen kan worden; 

b) dat de koper duidelijk ingelicht is over deze mogelijkheid en ook over de afzonderlijke 
verkoopprijs van elk produkt en van elke dienst; 

c) dat de prijsvermindering die eventueel aan de koper verleend wordt voor het geheel van de 
produkten of diensten, niet meer bedraagt dan één derde van de samengetelde prijzen. 

Art. 56 

Het is geoorloofd samen met een hoofdprodukt of -dienst gratis aan te bieden: 

1. het toebehoren van een hoofdprodukt dat de fabrikant ervan specifiek aan het produkt heeft 
aangepast, en dat tegelijk ermee wordt geleverd opdat het gebruik van het hoofdprodukt 
uitgebreid of vergemakkelijkt zou worden; 
2. de verpakking of de recipiënten die worden gebruikt voor de bescherming en de conditionering 
van de produkten, waarbij de aard en de waarde van deze produkten in aanmerking worden 
genomen; 
3. kleine door de handelsgebruiken aanvaarde produkten of diensten evenals de levering, de 
plaatsing, de regeling en het onderhoud van de verkochte produkten; 
4. monsters uit het assortiment van de fabrikant of van de verdeler van het hoofdprodukt, voor 
zover die worden aangeboden in een hoeveelheid of maat die volstrekt noodzakelijk is voor de 
beoordeling van de eigenschappen van het produkt; 
5. chromo's, vignetten en andere beelden met geringe handelswaarde; 

6.  
7. voorwerpen waarop onuitwisbare en duidelijk zichtbare reclameopschriften zijn aangebracht, 
welke als dusdanig niet in de handel voorkomen, op voorwaarde dat de prijs, waartegen de 
aanbieder ze heeft gekocht, niet meer bedraagt dan 5 pct. van de verkoopprijs van het 
hoofdprodukt of -dienst, waarbij zij worden gegeven. 
Art. 57 

Het is eveneens geoorloofd, samen met een hoofdprodukt of -dienst, gratis aan te bieden: 

1. titels waarmee men zich een gelijk produkt of een gelijke dienst kan aanschaffen, voor zover de 
prijsvermindering die uit deze aanschaf voortvloeit, niet meer bedraagt dan het percentage 
vastgelegd in artikel 55, 2; 
2. titels waarmee één van de voordelen, genoemd in artikel 56, 5 en 6, kan worden verkregen; 
3. titels die uitsluitend recht geven op een korting in geld, op voorwaarde: 
a) dat ze de geldwaarde vermelden die zij vertegenwoordigen; 

b) dat in de inrichtingen waar de verkoop van produkten of de verlening van diensten plaatsheeft, 
het percentage of de grootte van de aangeboden korting duidelijk vermeld is en de produkten of 
diensten waarvan de verwerving recht geeft op titels, duidelijk zijn aangegeven; 

4. titels, bestaande uit documenten die, na de aanschaf van een bepaald aantal produkten of 
diensten, recht geven op een gratis aanbod of een prijsvermindering bij de aanschaf van een 
gelijkaardig produkt of dienst, voor zover dat voordeel door dezelfde verkoper verstrekt wordt en 
niet meer bedraagt dan één derde van de prijs van de vroeger aangeschafte produkten of diensten. 
De titels moeten de eventuele uiterste geldigheidsduur en de voorwaarden van het aanbod 
vermelden. 

Wanneer de verkoper een einde maakt aan zijn aanbod, heeft de consument recht op het 
aangeboden voordeel naar verhouding van de vroeger gedane aankopen. 

Art. 58 

Een ieder die de in deze afdeling bedoelde titels uitgeeft, wordt van rechtswege schuldenaar van 
de schuldvordering die deze titels vertegenwoordigen. 

Zo de uitgifte der titels bedoeld in artikel 57, 3, wordt stopgezet of zo zich een wijziging in de 
lopende uitgifte ervan voordoet, kan de terugbetaling in geld worden geëist ongeacht het 
totaalbedrag van hun nominale waarde, en wel gedurende één jaar vanaf de bekendmaking als 
bedoeld in artikel 62, § 1, 2. 

Art. 59 

Een ieder die in artikel 57, 1 tot 3, bedoelde titels uitgeeft, moet houder zijn van een inschrijving 
afgegeven door de Minister of door de door hem daartoe aangewezen ambtenaar. 

De aanvraag tot inschrijving moet geschieden bij een ter post aangetekende brief verstuurd aan de 
Minister of aan de door hem daartoe aangewezen ambtenaar. 


De aanvragers moeten er zich toe verbinden dat zij de door de Minister aangewezen bevoegde 
ambtenaren in de gelegenheid zullen stellen om ter plaatse na te gaan of de bepalingen van de 
artikelen 57 tot 61 worden nageleefd en om ter plaatse alle documenten, stukken of boeken die de 
uitvoering van hun opdracht kunnen vergemakkelijken, in te zien. 

Art. 60 

De titels uitgegeven overeenkomstig artikel 57, 1 tot 3, moeten het inschrijvingsnummer 
vermelden van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die ze uitgeeft. 

Dat nummer, de naam, de benaming en het adres van de houder alsook de inruilings-of 
terugbetalingsvoorwaarden, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 57, 1 tot 3, 
moeten duidelijk zichtbaar op de verzamelboekjes voor de titels of op de titel zelf voorkomen en 
ook in iedere reclame die betrekking heeft op deze titels. 

Art. 61 

De ingeschreven personen zijn verplicht onmiddellijk hun schrapping aan te vragen, wanneer zij 
de uitgifte van titels wensen stop te zetten, wanneer zij hun betalingen gestaakt hebben of 
wanneer zij zich bevinden in de gevallen, genoemd in het tweede lid van dit artikel. 

Mogen noch rechtstreeks noch door een tussenpersoon een inschrijving bezitten, de personen 
bedoeld in het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 houdende verbod voor sommige 
veroordeelden en voor de gefailleerden om deel te nemen aan het beheer van en het toezicht op de 
vennootschappen op aandelen, coöperatieve vennootschappen en kredietverenigingen, en om het 
beroep van wisselagent uit te oefenen of de bedrijvigheid van depositobanken waar te nemen, 
evenals in het koninklijk besluit nr. 148 van 18 maart 1935 betreffende de woeker, alsook de 
personen die werden veroordeeld door een beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan en die 
op grond van artikel 29 van de wet van 9 juli 1957 tot regeling van de verkoop op afbetaling en 
van zijn financiering, . 

Art. 62 

§ 1. 

De Koning kan: 

1. voor de titels bedoeld in artikel 57, 1 tot 3, een minimumformaat en bijzondere kenmerken 
voorschrijven; 
2. bij de stopzetting van de uitgifte of zo zich een wijziging in de lopende uitgifte van deze titels 
voordoet, een bijzondere bekendmaking voorschrijven en nadere regelen daaromtrent bepalen; 
3. het minimumbedrag bepalen, vanaf hetwelk kan worden geëist dat de titels bedoeld in artikel 
57, 3, in geld worden terugbetaald; 
4. de uitgifte van titels bedoeld in artikel 57, 3, afhankelijk maken van de vorming van 
solvabiliteitswaarborgen en van het houden van een bijzondere boekhouding en 
controlemaatregelen opleggen; 
5. voor bepaalde produkten of diensten door Hem bepaald, de in de artikelen 55, 2, c), en 57, 1 en 
4, genoemde percentages wijzigen, de maximale waarde vaststellen die de krachtens deze 

bepalingen aangeboden produkten, diensten of voordelen mogen bereiken en de frequentie en de 
duur beperken van de verkopen en dienstverleningen die het voorwerp zijn van artikel 55, 2; 

6. het aanbod afhankelijk maken van de voorwaarde dat de gezamenlijk aangeboden produkten of 
diensten door de verkoper gedurende minstens één jaar werden verkocht of verleend; 
7. sommige door Hem bepaalde produkten en diensten uitsluiten van de uitzonderingen vermeld 
in de artikelen 55, 56 en 57; 
8. het verbod van artikel 54 uitbreiden tot het gezamenlijk aanbod dat aan wederverkopers wordt 
gedaan; 
 
§ 2. 

Alvorens een besluit voor te stellen in uitvoering , vraagt de Minister het 
advies van de Raad voor het Verbruik en van de Hoge Raad voor de Middenstand en bepaalt Hij de 
termijn waarbinnen het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het 
advies niet meer vereist. 

Afdeling 6. Waardebonnen 

Art. 63 

Waardebonnen in de zin van deze wet zijn documenten die door een handelaar, een producent of 
een invoerder gratis worden verspreid en die de houder ervan de mogelijkheid bieden een 
voordeel te ontvangen dat bestaat uit een korting in geld bij de aankoop van een bepaald produkt 
of dienst of bij de gelijktijdige aankoop van enkele identieke produkten of diensten. 

Art. 64 

In afwijking van de artikelen 5, 42 en 43, is het geoorloofd gratis waardebonnen te verspreiden 
indien deze de voorwaarden van het aanbod vermelden, met name: 

1. de geldwaarde die zij vertegenwoordigen; 
2. bij de verwerving van welke produkten of diensten dan wel van welk geheel van produkten of 
diensten zij gebruikt mogen worden; 
3. de verkooppunten waar zij gebruikt kunnen worden tenzij de waardebon kan worden gebruikt 
in alle verkooppunten waar het produkt of de dienst gewoonlijk te koop wordt aangeboden; 
4. de geldigheidsduur ervan; 
5. de identiteit van de uitgever. 

Art. 65 

Een ieder die waardebonnen uitgeeft, wordt, onder de voorwaarden van het aanbod, schuldenaar 
van de schuldvordering welke die bonnen vertegenwoordigen. 

Art. 66 

Voor zover aan de voorwaarden van het aanbod is voldaan: 

1. is de verkoper verplicht de waardebonnen aan te nemen, ongeacht of zij zijn uitgegeven door 
hemzelf dan wel door een producent of een invoerder; 
2. is de uitgever van de waardebonnen verplicht ze binnen een redelijke termijn aan de verkoper 
terug te betalen. 
Art. 67 

De Koning kan, per categorie van produkten en diensten, voor de waardebonnen die Hij bepaalt: 

1. bij de stopzetting van de uitgifte of een wijziging in de lopende uitgifte van de waardebonnen, 
een bijzondere bekendmaking voorschrijven en nadere regelen daaromtrent bepalen; 
2. een minimum- en een maximumpercentage bepalen voor de korting in geld waarop die bonnen 
recht geven. 
Art. 68 

 

Afdeling 7. Openbare verkopen 
Art. 69 

§ 1. 

De openbare tekoopaanbiedingen en verkopen, hetzij bij opbod, hetzij bij afslag, van vervaardigde 
produkten en de uitstalling van deze produkten, met het oog op dergelijke verkopen, vallen onder 
de bepalingen van deze afdeling, met uitzondering evenwel van: 

1. de tekoopaanbiedingen en verkopen zonder handelskarakter; 
2.  
3. de verrichtingen met betrekking tot kunstvoorwerpen of voorwerpen uit een verzameling - met 
uitsluiting van tapijten en juwelen -, of antiek, op voorwaarde dat ze plaatsvinden in zalen die 
daarvoor gewoonlijk zijn bestemd; 
4. de verrichtingen ter uitvoering van een wetsbepaling of van een rechterlijke beslissing; 
5. de verrichtingen in geval van gerechtelijk akkoord . 
§ 2. 

De Koning kan bijzondere voorwaarden stellen voor de openbare verkopen van produkten die Hij 
bepaalt. 

Art. 70 

§ 1. 

De openbare verkopen als bedoeld in artikel 69 zijn alleen toegelaten wanneer zij op gebruikte 
produkten betrekking hebben. 

§ 2. 

Als gebruikt wordt beschouwd elk produkt dat duidelijke tekenen van gebruik vertoont, behalve 
indien de duidelijke tekenen van gebruik uitsluitend het resultaat zijn van een kunstmatig 
uitgevoerde verouderingsbehandeling. 

Art. 71 
[...] 
Art. 72 

De openbare verkopen in de zin van artikel 69 mogen enkel gehouden worden in lokalen die 
hiervoor uitsluitend zijn bestemd, behoudens afwijkingen die, bij noodzaak, worden toegestaan 
door de Minister of door de door hem daartoe aangewezen ambtenaar. 

Een ieder die een openbare verkoop organiseert, is verantwoordelijk voor de naleving van de 
bepalingen van het vorige lid en van artikel 70. 

 

Art. 73 

 

Art. 74 

De ministeriële ambtenaar die belast is met de openbare verkoopverrichtingen, moet zijn 
medewerking weigeren: 


1° indien de kennisgeving als bedoeld in artikel 71, § 2, niet binnen de vastgestelde termijn is 
gedaan; 

2° aan verrichtingen met betrekking tot produkten die niet voorkomen in de inventaris vereist 
krachtens artikel 71, § 2, of met betrekking tot produkten die krachtens het tweede lid van artikel 
73 geacht worden in beslag te zijn genomen. 

Art. 75 

De Koning kan, voor bepaalde produkten, afwijkingen toestaan van de bepalingen van artikel 70, § 
1, wanneer blijkt dat het moeilijk of onmogelijk is deze produkten volgens andere 
verkoopmethodes te verkopen. 

Afdeling 8. Afgedwongen aankopen 

Art. 76 

Het is verboden iemand, zonder dat hij hierom eerst heeft verzocht, enig produkt toe te zenden 
met het verzoek dit tegen betaling van zijn prijs te verwerven of het anders, zelfs kosteloos, aan 
de afzender terug te zenden. 

Het is eveneens verboden iemand, zonder dat hij hierom eerst heeft verzocht, enige dienst te 
verlenen met het verzoek die dienst, tegen betaling van zijn prijs, te aanvaarden. 

De Minister kan van deze verbodsbepalingen afwijkingen toestaan voor aanbiedingen met een 
liefdadig doel. In dat geval moet het vergunningsnummer en de volgende vermelding “De 
geadresseerde heeft geen enkele verplichting, noch tot betaling, noch tot terugzending” leesbaar, 
goed zichtbaar en ondubbelzinnig vermeld zijn op de documenten die op het aanbod betrekking 
hebben. 

In geen geval is de geadresseerde verplicht de verleende dienst of het toegezonden produkt te 
betalen noch het produkt terug te zenden, zelfs niet indien een vermoeden werd geopperd dat 
men de dienst of de aankoop van het produkt stilzwijgend had aanvaard. 

Afdeling 9. Vorige versie(s) 

 

Art. 77 

[§ 1. 

In deze afdeling wordt verstaan onder: 

1° overeenkomst op afstand: elke overeenkomst tussen een verkoper en een consument inzake 
producten of diensten die wordt gesloten in het kader van een door de verkoper georganiseerd 
systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand waarbij, voor deze overeenkomst, uitsluitend 
gebruik gemaakt wordt van een of meer technieken voor communicatie op afstand tot en met de 
sluiting van de overeenkomst zelf; 

2° techniek voor communicatie op afstand : ieder middel dat, zonder gelijktijdige fysieke 
aanwezigheid van verkoper en consument kan worden gebruikt voor de sluiting van de 
overeenkomst tussen deze partijen; 


3° communicatietechniek-exploitant: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, 
publiekrechtelijk of privaatrechtelijk, wiens beroepsactiviteit erin bestaat één of meer technieken 
voor communicatie op afstand aan de verkopers ter beschikking te stellen; 

4°  

 

§ 2. 

 

Art. 78 

[§ 1]. 
 

[§ 2. 

Onverminderd de artikelen 55, 56 en 57, is elk gratis aanbod van producten, van diensten of van 
enig ander voordeel enkel toegelaten als de vraag om deze te verkrijgen voorkomt op een 
document dat gescheiden is van enige bestelbon van producten of diensten.] 

Art. 79 

[§ 1. 

De consument moet schriftelijk of op een andere duurzame drager, te zijner beschikking staand 
en voor hem toegankelijk, volgende informatie ontvangen: 
1° bevestiging van de inlichtingen, vermeld in artikel 78, 1°, 3° tot 6° en 10°, evenals de 

identificatie van het product of van de dienst; 
2° in voorkomend geval, de voorwaarden en de uitoefeningswijze van het verzakingsrecht, evenals 


het volgende beding, in vetgedrukte letters en in een kader los van de tekst, op de eerste 
bladzijde: 
“De consument heeft het recht aan de verkoper mee te delen dat hij afziet van de aankoop, zonder 

betaling van een boete en zonder opgave van motief binnen... werkdagen vanaf de dag die volgt op 
de levering van het product of op het sluiten van de dienstenovereenkomst.” 

Dit beding wordt aangevuld met het aantal werkdagen, dat niet lager mag zijn dan zeven. 
Bij ontstentenis van dit laatste beding, in de voorwaarden zoals bedoeld in het § 2, wordt het 
product of de dienst geacht te zijn geleverd aan de consument zonder voorafgaande vraag 
zijnerzijds en is deze laatste niet gehouden tot het betalen van het product of de dienst, of tot het 
teruggeven ervan; 

3° bij ontstentenis van verzakingsrecht, in de veronderstellingen voorzien in artikel 80, § 4, het 
volgende beding, in vetgedrukte letters en in een kader los van de tekst, op de eerste bladzijde: 

“De consument beschikt niet over het recht om van de aankoop af te zien.”; 
4° het geografische adres van de vestiging van de verkoper waar de consument met zijn klachten 
terecht kan; 


5° de inlichtingen betreffende de bestaande diensten na verkoop en commerciële waarborgen; 


6° de voorwaarden voor opzegging van de overeenkomst, indien deze van onbepaalde duur is of 
een duur van meer dan één jaar heeft. 
§ 2. 
De consument moet de informatie, bedoeld in § 1, ontvangen: 


- voor de producten: 
ten laatste bij de levering aan de consument; 

- voor de diensten: 
vóór de uitvoering van elke dienstenovereenkomst en desgevallend, tijdens de uitvoering van de 
dienstenovereenkomst, zo de uitvoering is begonnen, met het akkoord van de consument, vóór 
het verlopen van de verzakingstermijn. 

§ 3. 

De bepalingen van §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing op diensten die zelf met behulp van een 
techniek voor communicatie op afstand worden uitgevoerd wanneer deze diensten in één keer 
worden verleend en rechtstreeks door de communicatietechniek-exploitant worden gefactureerd. 
Niettemin moet de consument in ieder geval in kennis gesteld worden van het geografische adres 
van de vestiging van de verkoper waar hij zijn klachten kan indienen.] 

Art. 80 

[§ 1. 

Bij elke overeenkomst op afstand beschikt de consument over een termijn van ten minste zeven 
werkdagen waarbinnen hij de overeenkomst kan verzaken. Hij kan dit recht uitoefenen zonder 
betaling van een boete en zonder opgave van motief. 

Onverminderd de bepalingen van artikel 81, § 3, tweede streepje, kunnen aan de consument, voor 
de uitoefening van zijn verzakingsrecht, slechts de rechtstreekse kosten voor het terugzenden 
aangerekend worden. 

 Voor de uitoefening van dit recht gaat de termijn in: 

- voor de producten, te rekenen vanaf de dag na levering aan de consument wanneer aan de 
informatieverplichtingen bedoeld in artikel 79, § 1, voldaan is; 
- voor de diensten, te rekenen vanaf de dag na het afsluiten van de overeenkomst of vanaf de dag 
waarop aan de informatieverplichtingen voorzien in artikel 79, § 1, voldaan is, zo daaraan werd 
voldaan na het afsluiten van de overeenkomst, mits de termijn de in volgende paragraaf vermelde 
termijn van drie maanden niet overschrijdt. 
§ 2. 

Wanneer de verkoper niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 79, § 1, is de 
verzakingstermijn drie maanden. Deze termijn gaat in: 

- voor de producten, te rekenen vanaf de dag na levering aan de consument; 
- voor de diensten, te rekenen vanaf de dag na het afsluiten van de overeenkomst. 
Indien binnen deze termijn van drie maanden de inlichtingen, bedoeld in artikel 79, § 1, verstrekt 
zijn, begint de termijn van zeven werkdagen, vermeld in § 1, te lopen de dag na de ontvangst van 
de inlichtingen. 

Voor de producten die het voorwerp uitmaken van opeenvolgende leveringen, beginnen de 
verzakingstermijnen te lopen de dag na de eerste levering. 

Wat de naleving van de verzakingstermijnen betreft, is het voldoende dat de consument zijn 
verzaking ter kennis brengt vóór het einde ervan. 


§ 3. 

Onverminderd de toepassing van artikel 45, § 1, van de wet van 12 juni 1991 op het 
consumentenkrediet, kan geen enkel voorschot of betaling worden geëist van de consument vóór 
het einde van de verzakingstermijn van zeven werkdagen bedoeld in § 1. 

In geval van uitoefening van het verzakingsrecht voorzien in §§ 1 en 2, wordt de verkoper 
gehouden tot terugbetaling van de door de consument gestorte bedragen, zonder kosten. Deze 
terugbetaling moet plaatsvinden ten laatste binnen de dertig dagen die volgen op de verzaking. 

Het verbod bedoeld in het eerste lid wordt opgeheven wanneer de verkoper het bewijs levert dat 
hij de regels respecteert die zijn vastgelegd door de Koning met het oog op het toelaten van de 
terugbetaling van de door de consument gestorte bedragen. 

§ 4. 

Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, kan de consument het in §§ 1 en 2 bedoelde 
verzakingsrecht niet uitoefenen voor overeenkomsten: 

1° betreffende de levering van diensten waarvan de uitvoering met instemming van de consument 
begonnen is vóór het einde van de in § 1 bedoelde verzakingstermijn van zeven werkdagen; 

2° betreffende de levering van producten die volgens de specificaties van de consument zijn 
vervaardigd of die een duidelijk persoonlijk karakter hebben of die door hun aard niet kunnen 
worden teruggezonden of snel kunnen bederven of verouderen; 

3° betreffende de levering van audio- en video-opnamen en computer-programmatuur waarvan de 
verzegeling door de consument is verbroken; 

4° betreffende de levering van dagbladen, tijdschriften en magazines; 

5° voor diensten voor weddenschappen en loterijen. 

Ingeval de verkoper de consument, overeenkomstig artikel 78, 6°, niet verwittigd heeft van de 
ontstentenis van een verzakingsrecht, beschikt de consument over het verzakingsrecht bedoeld in 
§ 2.] 

Art. 81 

[§ 1. 

Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, moet de verkoper de bestelling uitvoeren uiterlijk 
binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop de consument zijn bestelling 
aan de leverancier heeft toegezonden. 

Behoudens in geval van overmacht, indien de overeenkomst door de verkoper niet wordt 
uitgevoerd, wordt de overeenkomst van rechtswege ontbonden onverminderd het eventueel 
bekomen van schadevergoeding. 

Op het einde van de uitvoeringstermijn voorzien in het eerste lid of zoals deze overeengekomen is 
door de partijen, kunnen deze een verlenging van voornoemde termijn overeenkomen. 

Geen enkele vergoeding en geen onkosten kunnen van de consument worden geëist uit hoofde van 
deze ontbinding. 


Bovendien moet de consument binnen de dertig dagen de bedragen terugbetaald krijgen die hij 
desgevallend als betaling heeft gestort. 
§ 2. 


[...] 


§ 3. 
Bij verzaking van de overeenkomst met toepassing van artikel 80, kunnen de eventuele kosten 
voor terugzending niet ten laste van de consument worden gebracht indien: 


- het geleverde product of de verstrekte dienst niet beantwoordt aan de beschrijving van het 
aanbod; 
- de verkoper zijn informatieverplichtingen niet heeft vervuld zoals bedoeld in artikelen 78 en 79, 
§ 1. 
§ 4. 

In geval van verzaking aan de overeenkomst, met toepassing van artikel 80, kan de consument die 
een kredietovereenkomst heeft gesloten teneinde de betaling van het product of van de dienst, 
voorwerp van de overeenkomst, volledig of gedeeltelijk te financieren, deze kredietovereenkomst 
verzaken zonder kosten noch vergoeding op voorwaarde: 

1° dat de kredietovereenkomst werd gesloten met de verkoper of verstrekt door een derde, 
voorzover er een akkoord bestaat tussen deze derde en de verkoper, met als doel het verzekeren 
van de financiering van de verkoop door deze laatste, en, 

2° dat de verzaking aan de kredietovereenkomst gebeurt binnen de termijnen en volgens de 
modaliteiten, bedoeld in artikel 80 van deze wet . 

§ 5. 
[...]] 

Art. 82 

 [...] 

Art. 83 

 [...] 

 

 


 

 

  

 

 

 

 


 

Afdeling 10. Onwettige verkooppraktijken 

Art. 84 

Het is verboden te verkopen door een beroep te doen op een methode van kettingverkoop, die erin 
bestaat een netwerk van al dan niet professionele verkopers op te bouwen, waarbij iedereen enig 
voordeel verhoopt, meer door de uitbreiding van dat net dan door de verkoop van de produkten 
aan de consument. De deelneming met kennis van zaken aan dergelijke verkopen 
is eveneens verboden. 

Met kettingverkoop wordt gelijkgesteld het “sneeuwbalprocédé” dat erin bestaat aan de 
consument produkten aan te bieden waarbij bij hem de verwachting wordt gewekt 
dat hij die produkten, gratis of tegen betaling van een som beneden de werkelijke waarde, kan 
verwerven, op voorwaarde dat er bij derden, tegen betaling, bons, coupons of andere gelijkaardige 
titels geplaatst worden of dat er leden geworven of inschrijvingen ingezameld worden. 


Art. 85 

[...] 

Opgeheven bij art. 43, 2° W. 5 juni 2007 (B.S., 21 juni 2007), met ingang van 1 december 2007 (art. 
44). 

Afdeling 11. Verkopen aan de consument gesloten buiten de onderneming van de verkoper 
Art. 86 

§ 1. 

In deze afdeling worden bedoeld, de verkopen aan de consument van produkten en diensten tot 
stand gebracht door een verkoper: 
1° ten huize van de consument of van een andere consument, alsook op de arbeidsplaats van de 

consument; 
2° tijdens een door of voor de verkoper georganiseerde excursie; 
3° op salons, beurzen en tentoonstellingen en dat de prijs hoger is dan . 
§ 2. 


 De Koning kan het bedrag vermeld in § 1, 3°, aanpassen. 
Art. 87 
Vallen niet onder de toepassing van deze afdeling: 
a) de verkopen bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, met betrekking tot een produkt of een dienst 
waarvoor de consument het bezoek van de verkoper voorafgaandelijk en uitdrukkelijk gevraagd 
heeft, met de bedoeling te onderhandelen over de aankoop van dat produkt of van die dienst. 

Het door de consument gegeven akkoord met een door de verkoper telefonisch voorgesteld 
bezoekaanbod, vormt geen voorafgaand verzoek; 

b) de verkopen van levensmiddelen, dranken en huishoudelijke onderhoudsartikelen door 
verkopers die, door frequente en geregelde rondes, een vast cliënteel bedienen door middel van 
ambulante winkels; 

c) de openbare verkopen; 

d) de verkopen op afstand; 

e) de verkopen van verzekeringen; 

f) de verkopen georganiseerd in het raam van manifestaties zonder handelskarakter en met een 
uitsluitend menslievend doel, onder de voorwaarden bepaald in uitvoering van de wet 
betreffende de uitoefening van de ambulante activiteiten, en voor zover de verkoopsom  
niet overschrijdt. De Koning kan dit bedrag aanpassen; 


g) de overeenkomsten inzake consumentenkrediet onderworpen aan de wetgeving betreffende het 
consumentenkrediet. 

Art. 88 

Onverminderd de gemeenrechtelijke voorschriften inzake het bewijs, moeten de verkopen aan de 
consument, bedoeld in deze afdeling, op straffe van nietigheid, [...], het voorwerp uitmaken van 
een geschreven overeenkomst opgemaakt in zoveel exemplaren als er contracterende partijen met 
een onderscheiden belang zijn. 

Dit contract moet vermelden: 

– de naam en het adres van de verkoper; 
– de datum en de plaats van de sluiting van de overeenkomst; 
– de nauwkeurige aanwijzing van het produkt of van de dienst, alsook de belangrijkste kenmerken 
ervan; 
– de termijn voor de levering van het produkt of voor het verlenen van de dienst; 
– de te betalen prijs en de wijzen van betaling; 
– het hierna volgend verzakingsbeding, in vet gedrukte letters en in een kader los van de tekst op 
de voorzijde van de eerste bladzijde: 
“Binnen zeven werkdagen, te rekenen van de dag die volgt op die van de ondertekening van dit 
contract, heeft de consument het recht om zonder kosten van zijn aankoop af te zien, op 
voorwaarde dat hij de verkoper hiervan bij een ter post aangetekende brief op de hoogte brengt. 
Elk beding waarbij de consument aan dit recht zou verzaken, is nietig. Wat betreft het in acht 
nemen van de termijn, is het voldoende dat de kennisgeving verstuurd wordt vóór het verstrijken 
van deze termijn.” 

Deze laatste vermelding is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de overeenkomst. 

Art. 89 

De verkopen van produkten of diensten, bedoeld in artikel 86 zijn slechts gesloten na een termijn 
van zeven werkdagen te rekenen vanaf de dag die volgt op die van de ondertekening van het 
contract bedoeld in artikel 88. 

Tijdens deze bedenktermijn heeft de consument het recht aan de verkoper, bij een ter post 
aangetekende brief, mee te delen dat hij van de aankoop afziet. 

 

Met uitzondering van de verkopen bedoeld in artikel 86, § 1, 3°, mag onder geen enkel 
voorwendsel een voorschot of betaling, in welke vorm ook, van de consument worden geëist noch 
aanvaard, vooraleer de in dit artikel bedoelde bedenktermijn is verstreken. 

Art. 90 


Bij verkoop op proef neemt de bedenktermijn een aanvang op de dag dat het produkt wordt 
geleverd en eindigt met het verstrijken van de proefperiode, zonder dat hij korter mag zijn dan 
zeven werkdagen. 

Art. 91 

Indien de consument afziet van de aankoop, kunnen hem daarvoor geen kosten worden 
aangerekend, noch kan van hem daarvoor schadevergoeding worden gevraagd. 

Art. 92 

Het op de markt brengen van produkten door middel van ambulante activiteiten is slechts 
toegestaan voor zover daarbij de wetgeving op die activiteiten wordt nageleefd. Bovendien zijn de 
bepalingen van deze wet daarop van toepassing. 

Hoofdstuk VII. Vorige versie(s) 

 

Art. 93 

 

 

 

[§ 1. 

 Vergelijkende reclame is, wat de vergelijking betreft, geoorloofd op voorwaarde dat deze: 

1° niet misleidend is in de zin van de artikelen 94/2, 1° tot 5°, 94/6 tot 94/8; 

2° producten of diensten vergelijkt die in dezelfde behoeften voorzien of voor hetzelfde doel zijn 
bestemd; 

3° op objectieve wijze een of meer wezenlijke, relevante, controleerbare en representatieve 
kenmerken van deze producten en diensten, waartoe ook de prijs kan behoren, met elkaar 
vergelijkt; 

4° er niet toe leidt dat op de markt de adverteerder met een concurrent, of de merken, 
handelsnamen, andere onderscheidende kenmerken, producten of diensten van de adverteerder 
met die van een concurrent worden verward; 

5° niet de goede naam schaadt van of zich kleinerend uitlaat over de merken, handelsnamen, 
andere onderscheidende kenmerken, producten of diensten, activiteiten of omstandigheden van 
een concurrent; 

6° voor producten met een benaming van oorsprong in elk geval betrekking heeft op producten 
met dezelfde benaming; 

7° geen oneerlijk voordeel haalt uit de bekendheid van een merk, handelsnaam of andere 
onderscheidende kenmerken, van een concurrent of van de oorsprongsbenamingen van 
concurrerende producten; 

8° producten of diensten niet voorstelt als een imitatie of namaak van producten of diensten met 
een beschermd handelsmerk of beschermde handelsnaam. 

§ 2. 

Elke vergelijking die verwijst naar een speciale aanbieding, moet duidelijk en ondubbelzinnig het 
einde en, zo de speciale aanbieding nog niet loopt, het begin aangeven van de periode gedurende 
welke de speciale prijs of andere specifieke voorwaarden gelden of in voorkomend geval 


vermelden dat de speciale aanbieding loopt zo lang de voorraad strekt of de diensten kunnen 
worden geleverd. 

§ 3. 

Verboden is elke vergelijkende reclame die de voorwaarden gesteld in §§ 1 en 2 niet eerbiedigt.] 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

 

 

Verwijzingen 

Bijlage II van de Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende 
oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (P.B., L 149 van 11 
juni 2005) vermeldt: 

 ‘‘COMMUNAUTAIRE WETSBEPALINGEN BETREFFENDE RECLAME EN COMMERCIËLE COMMUNICATIE 

Art. 4 en 5 van Richtlijn 97/7/EG van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op 
afstand gesloten overeenkomsten – Verklaring van de Raad en van het Parlement ad artikel 6, lid 1 – Verklaring 
van de Commissie ad artikel 3, lid 1, eerste streepje (P.B., L 144 van 4 juni 1997), Art. 3 Richtlijn 90/314/EEG 
van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (P.B., L 
158 van 23 juni 1990). 

Art. 3, lid 3, Richtlijn 94/47/EG van 26 oktober 1994 betreffende de bescherming van de verkrijger voor wat 
bepaalde aspecten betreft van overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van 
onroerende goederen (P.B., L 280 van 29 oktober 1994). 

Art. 3, lid 4, Richtlijn 98/6/EG van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de 
prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (P.B., L 80 van 18 maart 1998). 

Art. 86 tot en met 100 Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair 
wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (P.B., L 311 van 28 november 2001). 


Art. 5 en 6 Richtlijn 2000/31/EG van 8 juni 2000 betreffende bepaalde aspecten van de elektronische handel 
in de interne markt (richtlijn elektronische handel) (P.B., L 178 van 17 juli 2000). 

Art. 1quinquies van Richtlijn 98/7/EG van 16 februari 1998 tot wijziging van Richtlijn 87/102/EEG van de 
Raad betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het 
consumentenkrediet (P.B., L 101 van 1 april 1998). 

Art. 3 en 4 Richtlijn 2002/65/EG van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële 
diensten aan consumenten en tot wijziging van de Richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad 
(P.B., L 271 van 9 oktober 2002). Art. 1, lid 9, van Richtlijn 2001/107/EG van 21 januari 2002 tot wijziging van 
Richtlijn 85/611/EEG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde 
instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICB's) met het oog op de reglementering van 
beheermaatschappijen en vereenvoudigde prospectussen (P.B., L 41 van 13 februari 2002). 

Art. 12 en 13 van Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 
betreffende verzekeringsbemiddeling (P.B., L 9 van 15 januari 2003). 

Art. 36 van Richtlijn 2002/83/EG van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (P.B., L 345 van 19 
december 2002), richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2004/66/EG van de Raad (P.B., L 168 van 1 mei 2004). 

Art. 19 van Richtlijn 2004/39/EG van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (P.B., L 
145 van 30 april 2004). 

Art. 31 en 43 van Richtlijn 92/49/EEG van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke 
bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf (derde richtlijn schadeverzekering) (P.B., L 228 van 11 
augustus 1992), richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 
(P.B., L 35 van 11 februari 2003). 

Art. 5, 7 en 8 van Richtlijn 2003/71/EG van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd 
moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden (P.B., L 345 van 31 december 2003).'' 

 

 

 

  

 

 

 


 

 


 

 

 

 

  

 

 

 

 

Hoofdstuk VIII. Vordering tot staking 

Art. 95 

De voorzitter van de rechtbank van koophandel stelt het bestaan vast en beveelt de staking van 
een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk op de bepalingen van deze wet 
uitmaakt. 

 

Art. 96 

[§ 1. 

De voorzitter van de rechtbank van koophandel stelt bovendien het bestaan vast en beveelt de 
staking van elke inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, met uitzondering van het 
auteursrecht, de naburige rechten en het recht van de producenten van databanken. 

§ 2. 

Elke in § 1 bedoelde vordering tot staking die ook de staking tot voorwerp heeft van een handeling 
bedoeld in artikel 95 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de 
voorlichting en bescherming van de consument, of in artikel 18 van de wet van 2 augustus 2002 
betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand 
gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, wordt uitsluitend voor de voorzitter van de 
krachtens § 1 bevoegde rechtbank gebracht. 

§ 3. 

De voorzitter kan, wanneer hij de staking beveelt, maatregelen bevelen zoals bepaald in de wet 
betreffende het betrokken intellectueel eigendomsrecht, voor zover deze maatregelen kunnen 
bijdragen tot de stopzetting van de vastgestelde inbreuk of van de gevolgen ervan, met 


uitzondering van de maatregelen tot herstel van de schade die door deze inbreuk wordt 
berokkend. 

§ 4. 

Wanneer het bestaan van een intellectueel eigendomsrecht, in België beschermd door een depot of 
een inschrijving, wordt ingeroepen ter ondersteuning van een vordering op grond van § 1, of als 
verweer tegen deze vordering, en wanneer de voorzitter van de rechtbank vaststelt dat dit recht, 
dit depot of deze inschrijving nietig is of vervallen, spreekt hij deze nietigheid of dit verval uit en 
beveelt de schrapping van het depot of van de inschrijving in de desbetreffende registers, 
overeenkomstig de bepalingen van de wet betreffende het betrokken intellectueel 
eigendomsrecht. 

In afwijking van artikel 100, zesde lid, wordt het uitvoerbaar karakter van de in het eerste lid 
bedoelde beslissing tot nietigheid of verval geregeld overeenkomstig de bepalingen van de wet 
betreffende het betrokken intellectueel eigendomsrecht.] 

Art. 97 

De voorzitter van de rechtbank van koophandel stelt eveneens het bestaan vast en beveelt 
eveneens de staking van de hiernavolgende inbreuken: 

1. de uitoefening van een handelsactiviteit door de exploitatie van hetzij een hoofdvestiging, 
hetzij een filiaal of een agentschap, zonder dat men vooraf is ingeschreven in het handelsregister 
overeenkomstig de bepalingen van de bij het koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerde 
wetten betreffende het handelsregister; 
2. de uitoefening van een handelsactiviteit anders dan door de exploitatie van hetzij een 
hoofdvestiging, hetzij een filiaal of een agentschap, zonder dat het handelsregister hieromtrent 
vooraf werd ingelicht overeenkomstig de bepalingen van de bij het koninklijk besluit van 20 juli 
1964 gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister; 
3. de uitoefening van een andere handelsactiviteit dan die waarvoor men in het handelsregister is 
ingeschreven; 
4. de uitoefening van een andere handelsactiviteit dan die welke bij het handelsregister werd 
aangegeven; 
5. de uitoefening van een ambachtelijke activiteit, zonder dat men vooraf in het ambachtsregister 
is ingeschreven overeenkomstig de bepalingen van de wet van 18 maart 1965 op het 
ambachtsregister; 
6. de uitoefening van een andere ambachtelijke activiteit dan die waarvoor men in het 
ambachtsregister is ingeschreven; 
7. de niet-naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake het bijhouden van de 
sociale documenten en de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde; 
8. de tewerkstelling van werknemers zonder te zijn ingeschreven bij de Rijksdienst voor sociale 
zekerheid, zonder de vereiste aangiften te hebben gedaan of zonder de bijdragen, de 
bijdrageverhogingen of moratoire interesten te betalen; 

9. de tewerkstelling van werknemers en het gebruik van werknemers, in overtreding van de 
reglementering op de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en de terbeschikkingstelling van 
werknemers aan gebruikers; 
10. de niet-naleving van algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten; 
11. het beletten van het toezicht uitgeoefend krachtens de wetten betreffende het handelsregister, 
het ambachtsregister en het bijhouden van de sociale documenten; 
12. [ 
13. de tewerkstelling van een persoon door een werkgever die zich schuldig maakt aan een 
overtreding van artikel 27, 1°, a, van het koninklijk besluit nr. 34 van 20 juli 1967 betreffende de 
tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit;] 
 
 
[ de niet-naleving van de bepalingen van de wet van 24 juli 1973 tot instelling van een 
verplichte avondsluiting in handel, ambacht en dienstverlening;] 

 
 
De voorzitter van de rechtbank van koophandel kan aan de overtreder een termijn toestaan om 
aan de inbreuk een eind te maken of bevelen dat de activiteit wordt gestaakt. Hij kan de opheffing 
van de staking toestaan zodra bewezen is dat een einde werd gemaakt aan de inbreuk. 

 
Art. 98 

§ 1. 

De vordering gegrond op artikel 95 wordt ingesteld op verzoek van: 

1. de belanghebbenden; 
2. de Minister , tenzij het verzoek betrekking 
heeft op een daad als bedoeld van deze wet ; 
3. een beroeps- of interprofessionele vereniging met rechtspersoonlijkheid [...]; 
4. een vereniging ter verdediging van de consumentenbelangen die rechtspersoonlijkheid bezit en 
voor zover zij in de Raad voor het Verbruik vertegenwoordigd is of door de Minister van 
Economische Zaken, volgens door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit vast te stellen 
criteria, erkend is, tenzij het verzoek betrekking heeft op een daad als bedoeld . 
In afwijking van de bepalingen in de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de 
verenigingen en groepen bedoeld in de punten 3 en 4 in rechte optreden voor de verdediging van 
hun statutair omschreven collectieve belangen. 

 

 

[§ 1bis. 

De vordering op grond van artikel 96 wordt ingesteld op verzoek van de personen die een 
vordering inzake namaak kunnen instellen volgens de wet betreffende het betrokken intellectueel 
eigendomsrecht.] 

§ 2. 

Onverminderd de eventuele toepassing en 95 op de daarin bedoelde daden 
wordt de vordering gegrond op artikel 97 ingesteld op verzoek van de Minister die voor de 
betrokken aangelegenheid bevoegd is. 

 


Art. 99 

De voorzitter van de rechtbank van koophandel kan bevelen dat zijn beslissing of de samenvatting 
die hij opstelt wordt aangeplakt tijdens de door hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen de 
inrichtingen van de overtreder en dat zijn vonnis of de samenvatting ervan in kranten of op enige 
andere wijze wordt bekendgemaakt, dit alles op kosten van de overtreder. 

Deze maatregelen van openbaarmaking mogen evenwel slechts opgelegd worden indien zij er 
kunnen toe bijdragen dat de gewraakte daad of de uitwerking ervan ophouden. 

Art. 100 

De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kortgeding. 

Zij mag ingesteld worden bij verzoekschrift. Dit wordt in vier exemplaren neergelegd op de griffie 
van de rechtbank van koophandel of bij een ter post aangetekende brief verzonden aan deze 
griffie. 

De griffier van de rechtbank verwittigt onverwijld de tegenpartij bij gerechtsbrief en nodigt haar 
uit te verschijnen ten vroegste drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de 
gerechtsbrief, waaraan een exemplaar van het inleidend verzoekschrift werd gevoegd. 

Op straffe van nietigheid vermeldt het verzoekschrift: 

1. de dag, de maand en het jaar; 
2. de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker; 
3. de naam en het adres van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon tegen wie de vordering 
wordt ingesteld; 
4. het onderwerp en de uiteenzetting van de middelen van de vordering; 
5. de handtekening van de advocaat. 
Er wordt uitspraak gedaan over de vordering niettegenstaande vervolging wegens dezelfde feiten 
voor elk ander strafrechtelijk rechtscollege. 

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht. 

Elke uitspraak ingevolge een gegronde vordering wordt binnen acht 
dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege meegedeeld aan de Minister, 
tenzij de uitspraak is gewezen op zijn vordering. 

Bovendien is de griffier verplicht de Minister onverwijld in te lichten over de voorziening tegen 
elke uitspraak die op grond is gewezen. 

Hoofdstuk IX. Waarschuwingsprocedure 
Art. 101 

Wanneer is vastgesteld dat een handeling een inbreuk vormt op deze wet , op een 
uitvoeringsbesluit ervan of op de besluiten bedoeld in artikel 122, of dat zij aanleiding kan geven 
tot een vordering tot staking met toepassing van artikel 


113, § 1, aangestelde ambtenaar een waarschuwing richten tot de overtreder waarbij die tot 
stopzetting van deze handeling wordt aangemaand, . 

De waarschuwing wordt de overtreder ter kennis gebracht binnen een termijn van drie weken 
volgend op de vaststelling van de feiten, bij een ter post aangetekende brief met 
ontvangstmelding of door de overhandiging van een afschrift van het proces-verbaal waarin de 
feiten zijn vastgesteld. 

De waarschuwing vermeldt: 

a) de ten laste gelegde feiten en de geschonden wetsbepaling of -bepalingen; 

b) de termijn waarbinnen zij dienen te worden stopgezet; 

c) dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, ofwel , ofwel de met toepassing van 
artikel 113, § 1, of de met toepassing van artikel 116 aangestelde ambtenaren respectievelijk de 
procureur des Konings kunnen inlichten of de regeling in der minne bepaald in artikel 116 kunnen 
toepassen; 
 

Een omstandig jaarverslag over de werking van de waarschuwingsprocedure wordt binnen een 
redelijke termijn voorgelegd aan de Wetgevende Kamers, die beslissen over de eventuele 
openbaarmaking ervan. 

De in het verslag verstrekte gegevens zijn anoniem. 

Hoofdstuk X. Sancties 
Afdeling 1. Strafbepalingen 
Art. 102 

Met geldboete van 250 tot 10.000 worden gestraft, zij die de bepalingen overtreden: 

1. van de artikelen 2 tot 5 en 8 tot 11 betreffende de prijsaanduiding en de aanduiding van de 
hoeveelheden, en ook van de besluiten ter uitvoering van de artikelen 6 en 12; 
2. van artikel 13 betreffende de benaming, de samenstelling en de etikettering van de produkten 
en van de diensten en ook van de besluiten ter uitvoering van de artikelen 14 en 15; 
3.  
4. van de artikelen 43 en 45 betreffende de verkopen tegen verminderde prijs en van de besluiten 
genomen ter uitvoering van artikel 44; 
 

5. van artikel 59 dat het recht om bepaalde titels uit te geven afhankelijk stelt van een 
voorafgaande inschrijving; 

 

6. van artikel 74 dat aan de ministeriële ambtenaren, belast met de openbare verkopingen, de 
verplichting oplegt in bepaalde omstandigheden hun medewerking te weigeren; 
 

[. ] 

7. van de artikelen 88 tot 91 betreffende de verkopen aan de consument, gesloten buiten de 
onderneming van de verkoper; 

 
Indien evenwel een inbreuk op de bepalingen van artikel 14 aangaande de benaming, de 
samenstelling en de etikettering van de produkten eveneens een inbreuk inhoudt op de wet van 24 
januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van 
de voedingsmiddelen en andere produkten, zijn alleen de straffen voorzien in deze laatste wet 
van toepassing. 

Art. 103 

Met geldboete van 500 tot 20.000 worden gestraft, zij die te kwader trouw de bepalingen 
van deze wet overtreden, met uitzondering van die welke bedoeld zijn in de artikelen 102, 104 
en 105]. 

Art. 104 

Met geldboete van 1.000 tot 20.000 worden gestraft: 

1. zij die de beschikking niet naleven van een vonnis of een arrest gewezen krachtens de artikelen 
95 en 99, als gevolg van een vordering tot staking; 
2. zij die het vervullen van de opdracht van de in de artikelen 113 tot 115 genoemde personen met 
het oog op de opsporing en vaststelling van de inbreuken of het niet-naleven van deze wet , met 
opzet verhinderen of belemmeren; 
3. zij die opzettelijk, zelf of door een tussenpersoon, de aanplakbrieven, aangebracht met 
toepassing van de artikelen 99 en 108, geheel of gedeeltelijk vernietigen, verbergen of 
verscheuren. 
Art. 105 

Met gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en met geldboete van 26 tot 20.000 of met 
een van die straffen alleen worden gestraft, zij die artikel 84, dat kettingverkopen verbiedt en , 
overtreden. 


Art. 106 

Wanneer de feiten voorgelegd aan de rechtbank, het voorwerp zijn van een vordering tot staking 
kan er niet beslist worden over de strafvordering dan nadat een in kracht van gewijsde gegane 
beslissing is genomen betreffende de vordering tot staking. 

Art. 107 

Onverminderd de toepassing van de gewone regelen inzake herhaling, wordt de bij artikel 104 
bepaalde straf verdubbeld wanneer een in punt 1 van dat artikel bedoelde inbreuk zich voordoet 
binnen vijf jaar na een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wegens dezelfde overtreding. 

Art. 108 

De rechtbank kan de aanplakking van het vonnis of van de door haar opgestelde samenvatting 
ervan bevelen gedurende de door haar bepaalde termijn zowel buiten als binnen de inrichtingen 
van de overtreder, evenals de bekendmaking van het vonnis of van de samenvatting ervan door 
middel van kranten of op enige andere wijze, en dit alles op kosten van de overtreder; zij kan 
bovendien de verbeurdverklaring bevelen van de ongeoorloofde winsten die met behulp van de 
inbreuk werden gemaakt. 

Art. 109 

De vennootschappen en verenigingen met rechtspersoonlijkheid zijn burgerrechtelijk 
aansprakelijk voor de veroordelingen tot schadevergoeding, geldboeten, kosten, 
verbeurdverklaringen, teruggave en geldelijke sancties van welke aard ook, die wegens inbreuk op 
de bepalingen van deze wet tegen hun organen of aangestelden zijn uitgesproken. 

Dit geldt eveneens voor de leden van alle handelsverenigingen die geen rechtspersoonlijkheid 
bezitten, wanneer de inbreuk door een vennoot, zaakvoerder of aangestelde is gepleegd ter 
gelegenheid van een tot de werkzaamheid van de vereniging behorende verrichting. Evenwel is de 
burgerrechtelijk aansprakelijke vennoot persoonlijk niet verder gehouden dan tot de sommen of 
waarden die de verrichting hem opgebracht heeft. 

Deze vennootschappen, verenigingen en leden kunnen rechtstreeks voor de strafrechter 
gedagvaard worden door het openbaar ministerie of door de burgerlijke partij. 

Art. 110 

De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, 
zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in deze wet . 

In afwijking van artikel 43 van het Strafwetboek, oordeelt de rechtbank, zo deze een veroordeling 
uitspreekt naar aanleiding van een van de inbreuken bedoeld in deze wet , of de bijzondere 
verbeurdverklaring bevolen moet worden. Deze bepaling is niet van toepassing in het geval van 
herhaling als bedoeld in artikel 107. 

Na het verstrijken van een termijn van tien dagen na de uitspraak, is de griffier van de rechtbank 
of van het hof ertoe gehouden de Minister elk vonnis of arrest betreffende een inbreuk bedoeld in 
deze wet ter kennis te brengen bij een gewone brief. 

De griffier is eveneens verplicht de Minister onverwijld in te lichten over elke voorziening tegen 
een dergelijke uitspraak. 


Afdeling 2. Schrapping van de inschrijving 
Art. 111 

De Minister kan de inschrijving bedoeld bij artikel 59 schrappen: 

1. van degene die zijn inschrijving heeft verkregen niettegenstaande de bepalingen van artikel 61, 
tweede lid, of van artikel 112, § 2; 
2. van degene die overeenkomstig artikel 61 gehouden is zijn schrapping aan te vragen en deze 
verplichting niet is nagekomen; 
3. van degene die het voorwerp was van een vonnis tot staking of van een strafrechtelijke 
veroordeling wegens het uitgeven van titels zonder zich naar de bepalingen van artikel 57 te 
schikken; 
4. van degene die de verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen 58, 59, tweede lid, en 60 of van 
de ter uitvoering van artikel 62, § 1, 1 tot 4, genomen besluiten, niet nageleefd heeft. 
Art. 112 

§ 1. 

Een inschrijving kan echter pas worden geschrapt nadat de betrokkene bij een ter post 
aangetekende brief of bij gerechtsdeurwaardersexploot kennis is gegeven: 

a) van de onregelmatigheden die hem ten laste worden gelegd; 

b) van de maatregel waaraan hij zich blootstelt; 

c) van het recht waarover hij beschikt, om, langs dezelfde weg, zijn verweermiddelen te doen 
gelden binnen een termijn van dertig werkdagen, te rekenen vanaf de dag waarop de aangetekende 
brief op de post werd afgegeven of vanaf de dag waarop het gerechtsdeurwaardersexploot 
overhandigd werd. 

§ 2. 

Elke schrapping is het voorwerp van een met redenen omklede ministeriële beslissing, die bij 
uittreksel in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, alsook van een kennisgeving aan de 
betrokkene, bij een ter post aangetekende brief; zij wordt van kracht vanaf deze kennisgeving. 

Bij schrapping bepaalt de Minister de termijn binnen welke geen nieuwe inschrijving kan worden 
verkregen; deze termijn mag niet langer zijn dan één jaar vanaf de schrapping. 

Nochtans kan degene wiens inschrijving tweemaal werd geschrapt, eerst na een termijn van vijf 
jaar een derde inschrijving verkrijgen; wordt deze opnieuw geschrapt, dan is zulks definitief. 


Hoofdstuk XI. Opsporing en vaststelling van de bij deze wet verboden daden 

Art. 113 

§ 1. 

Onverminderd de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie, zijn de door de Minister 
aangestelde ambtenaren bevoegd om de in de artikelen 102 tot 105 vermelde inbreuken op te 
sporen en vast te stellen. De processen-verbaal welke door die ambtenaren worden opgesteld, 
hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen. 

§ 2. 

In de uitoefening van hun ambt mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren: 

1. tijdens de gewone openings- of werkuren binnentreden in de werkplaatsen, gebouwen, belendende binnenplaatsen en besloten ruimten waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben; 
2. alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering ter plaatse de documenten, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen; 
3. tegen ontvangstbewijs, beslag leggen op de onder punt 2 opgesomde documenten, noodzakelijk voor het bewijs van een inbreuk of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen; 
4. monsters nemen op de wijze en onder de voorwaarden door de Koning bepaald; 
5. indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk, in bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de rechter bij de politierechtbank; de bezoeken in bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee ambtenaren gezamenlijk geschieden. 
§ 3. 

In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren de bijstand van de gemeentepolitie of van de rijkswacht vorderen. 

§ 4. 

De gemachtigde ambtenaren oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal, onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun meerderen in het bestuur. 

§ 5. 

De inbreuken bedoeld in artikel 102, tweede lid, kunnen worden opgespoord en vastgesteld zowel door de ambtenaren bedoeld in § 1 als door die bedoeld in artikel 11 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten. 

§ 6. 


Wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 101, wordt het in § 1 bedoeld proces-verbaal aan de procureur des Konings pas toegezonden, wanneer aan de waarschuwing geen gevolg is gegeven. Wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 116, wordt het proces-verbaal aan de procureur des Konings pas toegezonden, wanneer de overtreder niet op het voorstel tot minnelijke schikking is ingegaan. 

Art. 114 

§ 1. 

De in artikel 113, § 1, bedoelde ambtenaren zijn eveneens bevoegd voor het opsporen en het vaststellen van de daden die, zonder strafbaar te zijn, het voorwerp kunnen zijn van een vordering tot staking op initiatief van de Minister. De processen-verbaal welke daaromtrent worden opgesteld, hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen. 

§ 2. 

In de uitoefening van hun ambt beschikken de in § 1 bedoelde ambtenaren over de bevoegdheden vermeld in artikel 113, § 2, 1°, 2° en 4°. 

Art. 115 

§ 1. 

De ambtenaren hiertoe aangesteld door de in artikel 98, § 2, genoemde Ministers, zijn bevoegd voor het opsporen en het vaststellen van de inbreuken die het voorwerp kunnen zijn van de vordering bedoeld in artikel 97. De processen-verbaal welke daaromtrent worden opgesteld, hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen. 

§ 2. 

In de uitoefening van hun ambt beschikken de in § 1 bedoelde ambtenaren over de bevoegdheden vermeld in artikel 113, § 2, 1°, 2° en 4°. 

Art. 116 

De hiertoe door de Minister aangestelde ambtenaren kunnen, op inzage van de processen-verbaal die een inbreuk van de vaststellen en opgemaakt zijn door de in artikel 113, § 1, bedoelde ambtenaren, aan de overtreders een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen. 

De Koning stelt de tarieven alsook de modaliteiten van betaling en inning vast. 

Art. 117 

[§ 1]. 

Na kennisneming van de processen-verbaal opgemaakt op grond van artikel 113, § 1, kan het openbaar ministerie bevel geven beslag te leggen op de produkten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken. 

Wanneer zij, ingevolge de hun bij artikel 113, § 1, toegekende bevoegdheden, een inbreuk vaststellen, kunnen de aangestelde ambtenaren overgaan tot het bewarend beslag van de produkten die het voorwerp van de inbreuk uitmaken. Dit beslag moet, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, door het openbaar ministerie bevestigd worden binnen een termijn van ten hoogste acht dagen. 

De persoon bij wie beslag op de produkten wordt gelegd, kan als gerechtelijk bewaarder van deze produkten aangesteld worden. 

Het beslag wordt van rechtswege opgeheven door het vonnis dat een einde maakt aan de vervolgingen, zodra dit in kracht van gewijsde is gegaan, of door seponering van de zaak. 

Het openbaar ministerie kan het beslag dat het bevolen of bevestigd heeft, opheffen als de overtreder ervan afziet de produkten aan te bieden in de omstandigheden die tot vervolging aanleiding hebben gegeven; dat houdt generlei erkenning van de gegrondheid van die vervolging in. 

[§ 2. 

Na kennisneming van de processen-verbaal opgemaakt op grond van artikel 113, § 1, en bij vaststelling van inbreuken op de bepalingen bedoeld in artikel 102, 6bis, kan de onderzoeksrechter, middels een met redenen omklede beschikking, de communicatietechniekexploitanten gelasten, indien deze daartoe in staat zijn, de terbeschikkingstelling van de door de overtreder gebruikte communicatietechniek om de inbreuk te plegen, op te schorten binnen de perken en voor de duur die hij bepaalt en die één maand niet kan overschrijden. 

De onderzoeksrechter kan één of meerdere keren de uitwerking van zijn beschikking verlengen; hij moet er een einde aan stellen zodra de omstandigheden, die ze rechtvaardigden, verdwenen 
zijn.] 

Art. 118 

[...] 

Art. 119 

Indien de eiser zich niet binnen een maand na de datum van deze verzending, vastgesteld door de stempel van de post, burgerlijke partij heeft gesteld in het strafgeding of indien hij niet binnen dezelfde termijn de houder van het aangeklaagde produkt en degene die van de benaming van oorsprong gebruik maakt, heeft gedagvaard voor de rechtbank van koophandel waarvan de voorzitter de beschikking heeft gewezen, houdt deze van rechtswege op uitwerking te hebben en kan de houder van het produkt teruggave van het origineel van het verzoekschrift, van de beschikking en van het proces-verbaal van verzegeling eisen, met verbod aan de eiser er gebruik van te maken en ze openbaar te maken, dit alles onverminderd de toekenning van schadevergoeding. 

Hoofdstuk XII. Wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen 

Art. 120 

Artikel 589, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt door de volgende bepaling vervangen: 

 (...) 


Art. 121 

Worden opgeheven: 

1° de wet van 16 augustus 1962 waarbij de Koning ertoe gemachtigd wordt het broodgewicht te reglementeren; 

2° de wet van 14 juli 1971 betreffende de handelspraktijken , gewijzigd door de wetten van 14 november 1938 en van 26 juli 1985; 

3° artikel 2, § 3, e), 3° en 4°, en artikel 3 van de wet van 13 augustus 1986 betreffende de uitoefening van de ambulante activiteiten. 

Art. 122 

De reglementaire bepalingen die niet strijdig zijn met deze wet , blijven van kracht totdat ze worden opgeheven of vervangen door besluiten ter uitvoering van deze wet genomen. 

De inbreuken op de bepalingen van de besluiten genomen ter uitvoering van de wet van 9 februari 1960 waarbij aan de Koning de toelating verleend wordt om het gebruik van de benamingen waaronder koopwaren in de handel gebracht worden, te regelen alsook van de wet van 14 juli 1971 betreffende de handelspraktijken , worden opgespoord, vastgesteld en gestraft overeenkomstig de hoofdstukken IX, X en XI van deze wet . 

 


Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen 


Art. 123 

Deze wet treedt in werking zes maanden na haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. 

Art. 124 

De Koning oefent de bevoegdheden, Hem toegekend door de bepalingen van de hoofdstukken II tot VI van deze wet uit, op de gezamenlijke voordracht van de Ministers die de Economische Zaken en de Middenstand onder hun bevoegdheid hebben. 

Wanneer maatregelen, te nemen ter uitvoering van deze wet , betrekking hebben op de produkten of diensten waarvoor binnen het toepassingsgebied van de hoofdstukken II tot VI een regeling is getroffen of kan worden getroffen op initiatief van andere Ministers dan degene die de Economische Zaken en de Middenstand onder hun bevoegdheid hebben, moet in de aanhef van het besluit worden verwezen naar de instemming van de betrokken Ministers. Die maatregelen worden in voorkomend geval gezamenlijk door de betrokken Ministers voorgesteld en door hen in onderlinge overeenstemming, ieder wat hem betreft, uitgevoerd. 

Zulks geldt eveneens wanneer, op het gebied van de hoofdstukken II tot VI, maatregelen die moeten worden genomen op initiatief van andere Ministers dan degenen die de Economische Zaken en de Middenstand onder hun bevoegdheid hebben, betrekking hebben op produkten of diensten waarvoor een regeling is getroffen of kan worden getroffen ter uitvoering van deze wet . 

 

MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.

Zoeken



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be