Handelsagentuur - mondeling - beŽindiging - bewijs


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



Rechtbank van Koophandel te Kortrijk, 21 december 2006

Integrale tekst:

In de zaak nr. 3919/05 der algemene rol.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MADERNA TEXTILES, met vennootschapszetel te 8550 Zwevegem, Kortrijkstraat 79/B ; ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0417.218.477;
eiseres,

tegen :

De vennootschap naar Duits recht RUTEX TEXTILHANDELSGESELLSCHAFT M.B.H., met vennootschapszetel te Duitsland, 41068 MŲnchengladbach, RŲnneterring 11 ; ingeschreven in het Amtsgericht MŲnchengladbach onder nummer HRB 2816;
verweerster,




I. PROCEDURE

De zaak werd ingeleid bij dagvaarding, die regelmatig werd betekend aan verweerster op 21 september 2005.

Partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in openbare terechtzitting van 5 oktober 2006, waarna de zaak voor sluiting der debatten werd gesteld op 2 november 2006, teneinde partijen toe te laten de gevraagde vertaling van de stukken neer te leggen.

Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging.

Partijen hebben elk een stukkenbundel neergelegd.

De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 tot regeling van het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen.



II. IN FEITE

Eiseres stelt dat zij sinds begin van de jaren '90 werkzaam is als handelsagent van verweerster, een Duitse producent van textielgarens.

Verweerster ontkent dat er sprake is van een handelsagentuurovereenkomst, en stelt dat er enkel sprake is van een losse samenwerking tussen partijen, die als makelaarsovereenkomst kan worden gekwalificeerd.

Verweerster beŽindigde per schrijven dd. 25/7/05 de samenwerkingsovereenkomst zonder daarbij een opzeggingstermijn te eerbiedigen.

Eiseres stelt dat de bepalingen van art. 19 van de wet van 13/4/95 betreffende de handelsagentuurovereenkomst (hierna kortweg: W.H.A.) niet werden gerespecteerd bij de opzegging.

Eiseres vordert:
- een opzeggingsvergoeding (zes maanden) ten bedrage van 10.409,15 euro;
- een cliŽnteelvergoeding (twaalf maanden) ten bedrage van 41.327,98 euro;
- een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik ten bedrage van 12.500,00 euro;
- een provisionele vergoeding ten bedrage van 7.000,00 euro uit hoofde van achterstallige en openstaande commissies;
- interest op alle hierboven vermelde bedragen;
- de toepassing van art. 877 Ger.W. teneinde verweerster te horen veroordelen tot het voorleggen van de nodige documenten teneinde de nog verschuldigde commissielonen exact te kunnen begroten, dit onder de verbeurte van een dwangsom;
- de toepassing van art. 877 Ger.W. teneinde verweerster te horen veroordelen tot het
voorleggen van de nodige documenten om te kunnen nagaan welke zaken verweerster gedurende de zes maanden na de beŽindiging van de overeenkomst nog heeft afgesloten en waarvoor zij cf. art. 11 W.H.A. recht heeft op commissie, dit onder de verbeurte van een dwangsom;
- de veroordeling van verweerster tot het betalen van een vergoeding voor de kosten van diens raadsman, provisioneel begroot op 5.046,77 euro.

Verweerster betwist het gevorderde. Zij stelt in hoofdorde niets verschuldigd te zijn; in ondergeschikte orde vordert zij de herleiding van de door eiseres gevorderde bedragen, als volgt:
- 8.387,42 euro opzeggingsvergoeding;
- 871,10 euro commissieloon (verweerster betaalde lopende de procedure een bedrag van 5.311,94 euro uit hoofde van commissieloon).

Verweerster stelt verder dat de voorwaarden voor een vergoeding ex art. 11 W.H.A. niet vervuld zijn, en dat de berekeningsbasis voor een uitwinningsvergoeding slechts 37.618,85 euro kan bedragen.

Verweerster is van oordeel geen schadevergoeding wegens rechtsmisbruik verschuldigd te zijn, evenmin als een vergoeding voor de advocaatskosten van eiseres.

III. IN RECHTE

III.1 BETREFFENDE DE AARD VAN DE OVEREENKOMST

Partijen betwisten niet dat er tussen hen reeds een samenwerkingsovereenkomst bestaat sinds begin de jaren '90.

Eiseres stelt dat zij een handelsagentuurovereenkomst afsloot met verweerster, terwijl verweerster stelt dat er hooguit sprake is van een losse samenwerking, die als een makelaarsovereenkomst dient te worden gekwalificeerd.

Krachtens art. 1 W.H.A. is de handelsagentuurovereenkomst een overeenkomst waarbij ťťn partij, de handelsagent, door de andere partij, de principaal, zonder dat hij onder diens gezag staat, permanent en tegen vergoeding belast wordt met het bemiddelen en eventueel afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal.

De taak van de agent bestaat erin zaken "te bemiddelen en eventueel af te sluiten". De agent voert dus besprekingen en onderhandelt met potentiŽle klanten met het oog op het afsluiten van een overeenkomst.

Het feit dat de agent, wanneer hij bemiddelt en zaken afsluit, handelt in naam en voor rekening van de principaal, onderscheidt hem van de commissionair die optreedt in zijn eigen naam, maar voor rekening van een opdrachtgever.
Voor de toepassing van de agentuurwet is het van geen belang of aan de agent exclusiviteit wordt toegekend of niet (in tegenstelling tot hetgeen verweerster voorhoudt).

De handelsagent dient permanent belast te zijn met het bemiddelen en afsluiten van zaken. Permanent staat gelijk met voortdurend, te allen tijde en impliceert continuÔteit. De band tussen de principaal en de agent dient dus voldoende stabiel en duurzaam te zijn, hetgeen ook logisch is aangezien de agent deel uitmaakt van het distributienet van de opdrachtgever. Dit heeft tot gevolg dat tussenpersonen waarop slechts occasioneel een beroep wordt gedaan om bepaalde transacties af te sluiten, zonder dat een duurzame band ontstaat met de opdrachtgever, niet onder het toepassingsgebied van de agentuurwet ressorteren.

De makelaar is de zelfstandige tussenpersoon, die geen permanente band heeft met een principaal, en wiens beroepsactiviteit er in bestaat te bemiddelen bij het tot stand komen van overeenkomsten en eventueel overeenkomsten af te sluiten in naam en voor rekening van de opdrachtgever. De makelaarsovereenkomst is de overeenkomst die wordt afgesloten tussen een makelaar en een opdrachtgever. Er bestaat geen wettelijk statuut van de makelaarsovereenkomst.

Tussen de makelaar en zijn opdrachtgever bestaat geen band van ondergeschiktheid. De makelaar oefent zijn activiteit beroepsmatig uit en tegen vergoeding.

Uit het hoger vermelde blijkt dat de aard van de activiteiten van de makelaar identiek is aan deze van de handelsagent.

Beide handelscontracten verschillen slechts op ťťn essentieel punt: de makelaar heeft, in tegenstelling tot de handelsagent, geen duurzame verhouding met de principaal. De band met zijn opdrachtgever is niet bestendig en occasioneel, hij voert in principe eenmalige opdrachten uit voor diverse opdrachtgevers en maakt geen deel uit van de commerciŽle organisatie van zijn opdrachtgever(s).

De betwisting heeft derhalve betrekking op de vraag of de bemiddeling door eiseres een duurzaam karakter had en met regelmaat gebeurde, dan wel of eiseres slechts occasioneel of sporadisch optrad.

Uit de concrete gegevens van het dossier blijkt dat er sinds begin de jaren '90 een intensieve samenwerking was tussen partijen.

Verweerster betaalde steevast elk kwartaal de verschuldigde commissies uit, partijen bezochten geregeld samen de klanten.

De overeenkomst dient derhalve te worden gekwalificeerd als een handelsagentuur.



III.2 BETREFFENDE DE BEňINDIGING VAN DE HANDELSAGENTUUR-OVEREENKOMST

Bij schrijven dd. 25/7/05 beŽindigde verweerster de overeenkomst zonder eerbiediging van een opzeggingstermijn.

Verweerster beroept zich op art. 19 W.H.A.
Verweerster beroept zich in haar brief dd. 25/7/05 (stuk 11 verweerster) op de volgende motieven:
"Zoals u weet, hebben de zaken voor de firma RŁtex in BelgiŽ in de laatste jaren een uiterst negatieve ontwikkeling gekend.
Terwijl we in andere landen een omzetgroei waarnamen, hebben we in BelgiŽ sinds 2002 een enorme omzetdaling van ongeveer 40 % opgetekend.
Zoals u altijd mondeling en schriftelijk hebt onderstreept, bent u een vrij man in de Belgische markt en laat u zich onder geen enkel beding via een overeenkomst als handelsvertegenwoordiger binden. Met dergelijke losse vorm van samenwerking zijn wij altijd akkoord geweest.
Echter, de actuele situatie is vanuit de positie van de firma RŁtex duidelijk negatief voor wat betreft de klantenopvolging in BelgiŽ en de daarmee verbonden omzetontwikkeling. De communicatie en daarmee ook het succes op de markt heeft een dermate slecht niveau bereikt, dat wij niet geloven, dat een trendommekeer met u in de markt kan bereikt worden.
Tegen deze achtergrond eindigen wij hiermee onze samenwerking met onmiddellijke ingang.
(...)"

Verweerster verwijt eiseres derhalve dat er een omzetdaling is sinds 2002.

Een handelsagentuurovereenkomst kan niet meer worden beŽindigd zonder opzeggingstermijn wanneer het feit ter rechtvaardiging van de beŽindiging sedert ten minste zeven werkdagen bekend is aan de partij die er zich op beroept.

Afgezien van het feit of er dus een omzetdaling was sinds 2002, en afgezien van het feit of een omzetdaling op zich een voldoende zware tekortkoming in hoofde van eiseres uitmaakt, kon verweerster de overeenkomst niet omwille van deze reden op basis van art. 19 W.H.A. beŽindigen aangezien deze gegevens haar reeds veel langer dan zeven werkdagen bekend waren ten tijde van de beŽindiging van de overeenkomst.

Verweerster heeft de overeenkomst derhalve op onregelmatige wijze beŽindigd.



III.3 BETREFFENDE DE COMMISSIELONEN

De werkwijze tussen partijen kan als volgt worden beschreven.

Eiseres ontving in de loop van het kwartaal een kopie van alle opgestelde verkoopfacturen. Kort na afsluiten van het kwartaal maakte verweerster een volledig overzicht van de facturatie, op basis waarvan zij een commissienota opstelde. Eiseres kon eventuele opmerkingen maken.

Verweerster maakte begin oktober 2005 (na afloop van het derde kwartaal) geen commissienota over.

Eiseres factureerde op 16/11/05 de volgens haar achterstallige commissies voor een bedrag van 8.068,00 euro (stuk 29 eiseres).

Op 7/02/06 betaalde verweerster de som van 5.311,94 euro.

Eiseres is cf. art. 10, 3° W.H.A. gerechtigd op commissie voor alle zaken die de principaal met de klanten afgesloten heeft vůůr de beŽindiging van de agentuurrelatie.
Eiseres stelt dat zij exclusief Belgisch agent was, zodat zij gerechtigd is op een commissie voor alle bestellingen geplaatst door Belgische klanten.

Partijen discussiŽren ook nopens het percentage waarop eiseres gerechtigd is; eiseres stelt op 2 % gerechtigd te zijn, terwijl verweerster het over 1 % heeft.

In het verleden werd de commissie zekerlijk voor bepaalde zaken/klanten teruggebracht van 2 % naar 1 %.
Eiseres is daar (noodgedwongen) mee akkoord gegaan.
In de gevallen waar eiseres vůůr de beŽindiging van de overeenkomst 1 % commissie bekwam, is zij thans ook op 1 % (en niet op 2 %) gerechtigd voor de zaken afgesloten vůůr de beŽindiging van de agentuurrelatie.

Het is aan eiseres om aan te tonen of zij voor bepaalde klanten of voor bepaalde producten (en zo ja voor welke) nog steeds 2 % commissie bekwam.

Eiseres stelt dat er tevens werd gewerkt met contracten op afroep, zodat zij gerechtigd is op commissie op deze zaken waarvan de uitvoeringen doorloopt na de beŽindiging van de overeenkomst.
Eiseres heeft in stuk 6 een (eenzijdige) lijst opgemaakt van dergelijke contracten op afroep.

Eiseres beschikt - net zoals de rechtbank - over onvoldoende gegevens teneinde de (desgevallend) nog verschuldigde commissies te kunnen bepalen.

Verweerster beschikt uiteraard wel over de nodige gegevens (zie de voorheen gebruikelijke manier van werken zoals hierboven beschreven onder III.3).

Een bevel ex art. 877 Ger.W. zoals hierna bepaald - en door eiseres gevorderd - dringt zich dan ook op.

Er wordt geen dwangsom opgelegd, doch de rechtbank wijst verweerster op het bestaan van art. 882 Ger.W.

Het is thans geenszins duidelijk op welk bedrag eiseres desgevallend nog gerechtigd is; er wordt dan ook geen provisie toegekend.



III.4 BETREFFENDE ART. 11 W.H.A.

Eiseres is van oordeel tevens gerechtigd te zijn op een vergoeding ex art. 11 W.H.A. en vordert uit dien hoofde een provisionele vergoeding ten bedrage van 3.000,00 euro.

Eiseres verwijst naar het feit dat verweerster reeds verschillende nieuwe overeenkomsten met klanten heeft afgesloten na de beŽindiging van de agentuurovereenkomst (stukken 41 en 42 eiseres).

Teneinde gerechtigd te zijn op een vergoeding ex art. 11 W.H.A. dient eiseres aan te tonen dat zij met bepaalde zaken zo ver stond dat een uiteindelijke bestelling in feite aan haar te danken is.
Eiseres moet concrete onderhandelingen, inspanningen aantonen, hetgeen zij echter niet doet.

De door eiseres gevorderde provisie en het bevel ex art. 877 Ger.W. kunnen derhalve niet worden toegekend.

Dit deel van de vordering wordt afgewezen als ongegrond.



III.5 BETREFFENDE DE OPZEGGINGSVERGOEDING

Aangezien partijen niet betwisten dat het begin van de samenwerking dateert van begin de jaren '90 had verweerster een opzeggingstermijn van zes maand dienen te respecteren. Voor deze termijn dient eiseres een vervangende vergoeding te ontvangen.

Overeenkomstig art. 18, 3° W.H.A. dient deze vergoeding berekend te worden op basis van het gemiddelde van de commissies verdiend gedurende de twaalf maanden die aan de beŽindiging van de overeenkomst voorafgaan, meer bepaald van 25 juli 2004 t.e.m. 25 juli 2005.

Eiseres berekent in haar stuk 5 dat de totale commissie die haar werd uitbetaald in deze periode 20.818,30 euro bedraagt.
De gemiddelde maandelijkse commissie in deze periode bedraagt volgens eiseres derhalve 1.734,58 euro, zodat de opzeggingsvergoeding waarop eiseres gerechtigd is 10.409,15 euro bedraagt.

Verweerster is (in ondergeschikte orde) van oordeel dat eiseres slechts gerechtigd is op een opzeggingsvergoeding ten bedrage van 8.387,42 euro, aangezien eiseres van een te ruime berekeningsbasis vertrekt.

Art. 18, 3° W.H.A. bepaalt dat de vergoeding wordt berekend op basis van het maandelijks gemiddelde van de commissies verdiend gedurende de twaalf maanden die aan de beŽindiging van de overeenkomst voorafgaan.

"Verdiend" betekent niet "betaald", doch wel die commissies waarop de agent een recht op uitbetaling heeft.

Verweerster merkt op dat eiseres ten onrechte zowel de verkregen als de betaalde commissielonen in rekening brengt.

Hierdoor zou eiseres ten onrechte commissielonen opnemen in de berekeningsbasis die eigenlijk betrekking hebben op orders aangebracht vůůr 25/07/04.

Verweerster duidt op de lijst van eiseres bepaalde cijfers aan met een bolletje (zie stukken 14 en 14 bis verweerster); deze gegevens zouden dan niet in de berekeningsbasis mogen worden opgenomen.

Verweerster, die nochtans over alle relevante gegevens beschikt om te kunnen aantonen en te kunnen verduidelijken waarom een bepaalde zaak al dan niet in de berekeningsbasis dient te worden opgenomen, faalt in haar bewijslast.
Verweerster toont derhalve niet aan waarom bepaalde cijfergegevens zou moeten worden verwijderd uit de berekeningsbasis.

In de gegeven omstandigheden kan de berekeningsbasis van eiseres worden weerhouden.

Eiseres is derhalve gerechtigd op de som van 10.409,15 euro, meer interest.


III.6 BETREFFENDE DE UITWINNINGSVERGOEDING

Overeenkomstig art. 20 W.H.A. is de agent gerechtigd op een uitwinningsvergoeding indien hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.

Er is geen geschreven overeenkomst, en dus ook geen niet-concurrentiebeding.

Verweerster is van oordeel dat eiseres op geen uitwinningsvergoeding gerechtigd is aangezien de omzet daalde sinds 1998.

Eiseres stelt dat een dalende omzet niet belet dat er toch een cliŽnteelvergoeding verschuldigd is indien er in vergelijking met de aanvang van de samenwerking nieuwe klanten werden aangebracht of de omzet met de bestaande klanten aanzienlijk werd uitgebreid.

Vooraleer verweerster een beroep deed op eiseres werkte zij samen met "RDV" (Mevrouw X). Verweerster stelt dat Mevrouw X het grootste deel van de klanten heeft aangebracht.

Er bestaat echter geen lijst van de reeds bestaande klanten ten tijde van de aanvang van de samenwerking tussen partijen.
Verweerster stelt dat zij ten tijde van de samenwerking met eiseres heel wat klanten verloor.

Uit de voorgelegde cijfergegevens blijkt dat eiseres wel degelijk een aanzienlijke stijging in de omzet realiseerde.
De omzet is aanvankelijk sterk gestegen, en daarna terug gedaald. Dit heeft zekerlijk ook te maken met de crisis in de textielsector.

Uit de voorgelegde bestellingen van na de beŽindiging van de overeenkomst blijkt dat verweerster toch een aanzienlijk aantal klanten heeft kunnen behouden.

Uit de hoger vermelde gegevens kan worden afgeleid dat eiseres voldoet aan de voorwaarden van art. 20 W.H.A.

De berekeningsbasis is het gemiddelde commissieloon in de periode 25/7/00 tot 25/7/05, meer bepaald (deze cijfers worden trouwens niet betwist):
- commissie 2000 : 2 = 22.078,51 euro
- commissie 2001: 50.801,04 euro
- commissie 2002: 45.713,84 euro
- commissie 2003: 40.341,00 euro
- commissie 2004: 25.627,00 euro
- commissie 2005 (3.532,85 euro + 7.315,93 euro) = 10.848,78 euro
Totaal: 195.410,17 euro
Jaarlijks gemiddelde: 39.082,03 euro

Gelet op de concrete gegevens van het dossier (zoals hierboven weergegeven) wordt de uitwinningvergoeding bepaald op 13.027,34 euro (195.410,17 euro : 5 : 3), meer interest.



III.7 BETREFFENDE HET RECHTSMISBRUIK

Eiseres vordert een vergoeding ten bedrage van 12.500,00 euro uit hoofde van rechtsmisbruik.

Zij stelt dat verweerster haar goede naam en faam aantast door de omzendbrief die zij tot de klanten heeft gericht.

De omzendbrief deelt weliswaar mee dat de samenwerking met eiseres met onmiddellijke ingang werd beŽindigd doch bevat geen negatieve uitlatingen t.a.v. eiseres.

Verweerster deelt de klanten mee tot wie ze zich in het vervolg kunnen richten, hetgeen haar recht is.

De vordering van eiseres is derhalve ongegrond.



III.8 BETREFFENDE DE VERGOEDING VOOR DE ADVOCAATKOSTEN

Eiseres meent gerechtigd te zijn op een vergoeding voor het ereloon en de kosten van haar raadsman, die begroot worden op 5.046,77 euro.

Er dient hiervoor sprake te zijn van een wanprestatie en advocaatskosten, die noodzakelijk deel uitmaken van de schade die daaruit is ontstaan.

De beŽindiging van een agentuurovereenkomst maakt geen wanprestatie uit.
De rechten die uit de beŽindiging voortvloeien zoals het recht op een opzeggings- en op een uitwinningsvergoeding zijn geen schadevergoedingen ex art. 1149 B.W. en/of 1382 BW, maar vloeien voort uit de W.H.A. en zijn ook wat hun hoegrootheid betreft wettelijk bepaald/begrensd.

De bedragen die eiseres vorderde, werden bovendien niet integraal toegekend.

Verweerster heeft het recht op verweer, hetgeen er trouwens toe leidde dat een deel van de vorderingen werd verworpen

De vordering wordt afgewezen als ongegrond:



OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,

Beslissend op tegenspraak,

Gelet op de artikelen 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Verklaart de vorderingen van eiseres ontvankelijk, en in de hierna bepaalde mate gegrond.


Zegt voor recht dat partijen een mondelinge handelsagentuurovereenkomst afsloten.

Zegt voor recht dat verweerster de overeenkomst op onregelmatige wijze heeft beŽindigd middels haar schrijven dd. 25/7/05.

Veroordeelt verweerster tot het betalen aan eiseres van een opzeggingsvergoeding ten bedrage van TIENDUIZEND VIERHONDERD NEGEN euro VIJFTIEN cent (10.409,15 euro), meer de moratoire interest ŗ rato van 7 % vanaf 25/7/05 tot 21/9/05, meer de gerechtelijke interest ŗ rato van 7 % vanaf 21/09/05 tot de datum der volledige betaling.

Veroordeelt verweerster tot het betalen aan eiseres van een uitwinningsvergoeding ten bedrage van DERTIENDUIZEND ZEVENENTWINTIG euro VIERENDERTIG cent (13.027,34 euro), meer de moratoire interest ŗ rato van 7 % vanaf 25/7/05 tot 21/9/05, meer de gerechtelijke interest ŗ rato van 7 % vanaf 21/09/05 tot de datum der volledige betaling.


Verklaart de vordering tot het verkrijgen van commissielonen ex art. 11 W.H.A. ongegrond.


Verklaart de vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding wegens rechtsmisbruik ongegrond.

Verklaart de vordering tot het bekomen van een vergoeding uit hoofde van kosten en ereloon voor een advocaat ongegrond.


Alvorens verder de oordelen wat betreft de gevorderde vergoeding ex art. 10 W.H.A.:

Toepassing makend van de artikelen 775 en 877 Ger.W.;

Heropent ambtshalve de debatten;

Beveelt in toepassing van art. 877 Ger.W. aan verweerster:

alle bestelbonnen van Belgische klanten, door verweerster aanvaard tijdens de duur van de agentuurovereenkomst en waarvan de bestellingen nog niet of nog niet volledig waren uitgeleverd bij de beŽindiging van de agentuurrelatie, alsook alle facturen die ten aanzien van Belgische klanten werden uitgeschreven op basis van bestellingen aanvaard tijdens de duur van de agentuurovereenkomst, over te leggen.

Zegt dat de overlegging van deze stukken door verweerster dient te gebeuren binnen de twee maanden vanaf de kennisgeving van huidige vonnis overeenkomstig art. 880 Ger.W., door neerlegging ter griffie van deze rechtbank.

Verzendt de zaak voor het overige naar de rol.

Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elk verhaal en zonder borgstelling.

Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw II te Kortrijk in buitengewone openbare terechtzitting op EENENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES.

Aanwezig: B. De Fleur, toegevoegd rechter ; J. Decorte en P. De Smet, rechters in handelszaken ; N. Bostoen, griffier.






N. Bostoen P. De Smet J. Decorte B. De Fleur





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be