Kennisgeving onmiddellijke opzeg handelsagentuur


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



Cass. 9 januari 2006

Samenvatting: De kennisgeving bij gerechtsdeurwaardersexploot of bij een ter post aangetekende brief van uitzonderlijke omstandigheden of ernstige tekortkomingen ter rechtvaardiging van de beŽindiging van een handelsagentuurovereenkomst zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn kan vervangen worden door een akte die evenwel alleen als gelijkwaardig kan worden beschouwd wanneer blijkt dat hij binnen de gestelde termijn ter kennis van de ontslagen agent is gebracht, zonder dat vereist is dat zulks uit de akte zelf kan worden afgeleid.

Trefwoorden: KOOPHANDEL. KOOPMAN, Handelsagentuurovereenkomst, BeŽindiging, Uitzonderlijke omstandigheden of ernstige tekortkomingen, Kennisgeving, Vorm, Vereiste

Volledige tekst:

1. E, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

2. B.B.,

tegen:

M B, naamloze vennootschap,


I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 oktober 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 14 november 2005 verwezen naar de derde kamer.

De eisers voeren in een verzoekschrift een middel aan.

Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 18, ,§ 3, 19, derde en vierde lid, 20 en 21 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst.

Aangevochten beslissing

Het hof van beroep verklaart verweersters hoger beroep gedeeltelijk gegrond en bijgevolg de oorspronkelijke vordering van eisers tot betaling van een verbrekingsvergoeding, een uitwinningsvergoeding en een bijkomende schadevergoeding ongegrond.

Het hof van beroep beslist aldus op volgende gronden:

"Op 1 november 1999 werd een nieuwe agentuurovereenkomst afgesloten tussen (verweerster) en (eiseres), de vennootschap waarbinnen (eiser) zijn activiteiten wenste uit te voeren, en op 15 november 1999 droeg BVBA Lieven Bernaers (die ook een agentschap te Zwijndrecht uitbaatte en haar activiteiten tot dit laatste wenste te beperken) haar agentschap te Sinaai over aan (eiseres).
Op 27 april 2000 voerde (verweerster) een boekhoudcontrole door in het agentschap van (eiseres) en stelde vast dat (eiser) (of (eiseres) : geen van de partijen maakt het onderscheid tussen (eiser) en (eiseres) op 14 februari 2000 een aan (verweerster) toebehorend bedrag van 2.231,04 euro (90.000 BEF) had opgenomen bedrag dat werd teruggestort (op 28 maart 2000 volgens (eiseres), op 31 maart 2000 volgens (verweerster), op het ogenblik dat (eiseres) van (verweerster) een kaskrediet had bekomen. In een door (eiser) op 27 april 2000 geschreven verklaring, legde hij uit dit te hebben gedaan 'om tot de kasfaciliteit op (eiseres) in orde was, de privť-nood aan liquiditeiten tijdelijk te lenigen'.
Op 2 mei 2000 beŽindigde (verweerster) de overeenkomst op grond van die feiten, die zij als een inbreuk op artikel 5.5 van de overeenkomst van 1 november 1999 beschouwt en die, volgens haar, tot gevolg hadden dat het vertrouwen, om (eiseres) haar nog verder te laten vertegenwoordigen, volledig zoek was.
Krachtens artikel 19, derde lid, van deze wet kunnen alleen de ernstige tekortkomingen waarvan kennis is gegeven bij gerechtsdeurwaarder-exploot of bij ter post aangetekend schrijven verzonden binnen zeven werkdagen na de beŽindiging worden aangewend ter rechtvaardiging van de beŽindiging zonder opzegging.
Het is niet bewezen dat (verweerster) haar brief van 2 mei 2000 waarin zij de overeenkomst beŽindigde en daarin meteen de redenen bekendmaakte, per aangetekende post verstuurde. Volgens de stukken die zij voorlegt, verstuurde zij op 2 mei 2000 ťťn aangetekende zending naar (eiser), waarvoor zij portkosten betaalde ten bedrage van 200 BEF. (Eiseres) legt een grote bruine omslag, uitgaande van (verweerster) voor, op 2 mei 2000 naar (eiser) verstuurd en waarop voor 200 BEF portkosten werden betaald en tevens een op 27 april 2000 gedateerde brief waarbij de verzending van een aantal effecten per aangetekende post wordt aangekondigd. Niet aannemelijk is, hetzij dat (verweerster) van een grote bruine omslag gebruik zou hebben gemaakt om een aangetekend schrijven van 2 blz. te versturen, hetzij dat de opzegbrief zonder meer in de omslag voor het versturen van effecten zou zijn bijgestoken.
Omdat de hoger vermelde vormvereiste niet op straffe van nietigheid werd voorgeschreven, is het hof (van beroep) het echter met de eerste rechter eens, dat de verzending per aangetekende post of de betekening bij gerechtsdeurwaardersexploot kan worden vervangen door een gelijkwaardige akte, mits het bewijs wordt geleverd dat binnen de in artikel 19, derde lid, gestelde termijn kennis werd gegeven van de ingeroepen tekortkoming.
Uit het bovenstaande blijkt dat de kennisgeving door (verweerster) en de kennisname door (eiseres) op 2 mei 2000 vaststaat, wat meebrengt dat (verweerster) zich mag beroepen op de in dit schrijven aangegeven redenen.
2.1.4. Nu het (hof van beroep), anders dan de eerste rechter het deed, oordeelt dat (verweerster) terecht de overeenkomst zonder opzegtermijn beŽindigde en dat zij dit op regelmatige wijze deed, is de vordering van (eisers) ongegrond, in de mate waarin zij strekt tot het bekomen van een verbrekingsvergoeding, een uitwinningsvergoeding en een bijkomende schadevergoeding".


Grieven

Overeenkomstig artikel, 19, derde lid, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst kunnen alleen de uitzonderlijke omstandigheden of de ernstige tekortkomingen waarvan kennis is gegeven bij gerechtsdeurwaarderexploot of bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen zeven werkdagen na de beŽindiging, worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de beŽindiging zonder opzegging of vůůr het verstrijken van de termijn. Krachtens het vierde lid van dezelfde wetsbepaling kan niettegenstaande enig hiermee strijdig beding vůůr het einde van de overeenkomst hiervan niet worden afgeweken ten nadele van de handelsagent.

Overeenkomstig artikel 18, ,§ 3, van dezelfde wet, is de partij die de overeenkomst beŽindigt zonder de wettelijke opzeggingstermijn in acht te nemen, gehouden de andere partij een opzeggingsvergoeding te betalen.

Krachtens artikel 20 van de wet heeft de handelsagent na beŽindiging van de overeenkomst recht op een uitwinningsvergoeding, wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de zaken met bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren, ingeval de principaal de overeenkomst niet heeft beŽindigd vanwege een aan de agent te wijten ernstige tekortkoming overeenkomstig artikel 19 van de wet. Voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in artikel 20 van de wet en het bedrag van die vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de geleden schade bewijst, krachtens artikel 21 van de wet boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen.

In hun appelconclusie voeren de eisers aan dat artikel 19, derde lid, van de Handelsagentuurwet niet de beŽindiging van de overeenkomst, maar wel de kennisgeving van de ernstige tekortkoming die aan de beŽindiging ten grondslag ligt, bij gerechtsdeurwaarderexploot of aangetekende brief oplegt, dat die wetsbepaling van dwingend recht is en dat elke beŽindiging zonder kennisgeving van die tekortkoming bij aangetekende brief of gerechtsdeurwaarderexploot weliswaar niet nietig, maar wel onrechtmatig is, vermits bij ontstentenis van een aangetekende brief of gerechtsdeurwaarderexploot geen enkel feit door de rechtbank in aanmerking kan worden genomen met het oog op de beoordeling van de onmiddellijke beŽindiging.

Het hof van beroep acht het niet bewezen dat verweerster een aangetekende brief verstuurde, maar beslist dat de verzending per aangetekende post kan worden vervangen door een gelijkwaardige akte, mits wordt bewezen dat tijdig kennis is gegeven van de ingeroepen tekortkoming, op de grond dat de verzending per aangetekende brief niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Het hof van beroep beslist op grond van die argumenten dat verweerster zich mag beroepen op de redenen die in de gewone brief van 2 mei 2000 zijn aangegeven ter rechtvaardiging van de beŽindiging van de overeenkomst zonder opzegging.

De appelrechters beslissen aldus in strijd met de ratio legis en de duidelijke bewoordingen van artikel 19, derde lid, van de wet van 13 april 1995 dat de uitzonderlijke omstandigheden of de ernstige tekortkomingen die ter rechtvaardiging van de beŽindiging zonder opzegging worden ingeroepen, bij een "gelijkwaardige akte" mogen worden ter kennis gebracht van de handelsagent.

De appelrechters verantwoorden derhalve hun beslissing dat verweerster de overeenkomst tussen partijen op regelmatige wijze beŽindigde, niet naar recht (schending van artikel 19, derde en vierde lid, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst) en beslissen bijgevolg ook niet naar recht dat de oorspronkelijke vordering van eisers tot betaling van een verbrekingsvergoeding, een uitwinningsvergoeding en een bijkomende schadevergoeding ongegrond is (schending van de artikelen 18, ,§ 3, 20 en 21 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling van het middel

1. Artikel 19, derde lid, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, bepaalt dat alleen de uitzonderlijke omstandig-heden of de ernstige tekortkomingen waarvan kennis is gegeven bij gerechtsdeurwaardersexploot of bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen zeven werkdagen na de beŽindiging, kunnen worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de beŽindiging zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn.

Volgens artikel 19, vierde lid, van dezelfde wet, kan van dit artikel niet worden afgeweken ten nadele van de handelsagent voor het einde van de overeenkomst, niettegenstaande enig hiermee strijdig beding.

2. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de kennisgeving bij gerechtsdeur-waardersexploot of bij een ter post aangetekende brief beoogt de betrokken partij nauwkeurig in te lichten omtrent de tegen haar aangevoerde bezwaren.

Die vormvereiste, welke niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, kan worden vervangen door een gelijkwaardige akte.

De vervangende akte kon evenwel alleen als gelijkwaardig worden beschouwd, wanneer blijkt dat hij binnen de gestelde termijn ter kennis van de ontslagen agent is gebracht. Het is niet vereist dat de tijdige kennisgeving uit de akte zelf kan worden afgeleid.

3. De appelrechters stellen in feite vast dat:
- verweerster op 27 april 2000, naar aanleiding van een boekhoudcontrole, de feiten heeft ontdekt die aanleiding hebben gegeven tot de beŽindiging van de agentuur;
- verweerster bij brief van 2 mei 2000, waarvan niet is bewezen dat hij per aangetekende post werd verstuurd, de agentuurovereenkomst heeft beŽindigd en de redenen van de beŽindiging heeft vermeld;
- de kennisgeving door verweerster en de kennisname door eiseres, op 2 mei 2000 vaststaan.
Door vervolgens te oordelen dat verweerster zich mag beroepen op de in dit schrijven aangegeven redenen, schenden de appelrechters artikel 19, derde en vierde lid, van de wet van 13 april 1995 niet.

4. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

5. Voor het overige, is het middel in zoverre het schending aanvoert van de artikelen 18, ,§ 3, 20 en 21, van de voormelde wet, afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de overige in het middel aangewezen wetsbepalingen.

6. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
De kosten begroot op de som van vijfhonderd zesenvijftig euro zesenveertig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd vierenzestig euro tweeŽndertig cent jegens de verwerende partij.


Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Jean-Pierre FrŤre en Ghislain Londers, en in openbare terechtzitting van 9 januari 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols.





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be