Opschortende voorwaarde - tijdsverloop


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



Samenvatting:

In de onderhandse akte is er geen bepaling opgenomen van de termijn binnen dewelke de opschortende voorwaarden vervuld moeten zijn. Algemeen wordt (aan)genomen dat deze voorwaarden binnen een redelijke termijn moeten vervuld zijn.

(De eiser) heeft nooit te gepasten tijde aangedrongen op de levering van het onroerend goed door aan te dringen op het verlijden van de notariŽle akte. Door zijn houding - meer dan vijf jaar stilzitten - is hij thans niet meer gerechtigd om de uitvoering van de overeenkomst te vorderen. (Cass. 25 mei 2007)

Integrale tekst:

Nr. C.05.0588.N
L.L.,
eiser
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
1. A.M.,
2.a. A.M.,
2.b. V.R.,
2.c. V.G.,
2.d. V.M.,
2.e. V.P.,
2.f. V.H.,
verweerders.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.
II. FEITEN
Uit de vaststellingen in het bestreden arrest, blijken navolgende feiten:
- bij onderhandse akte van 26 april 1994 kopen de eiser en zijn echtgenote een perceel grond van de verweerders onder de opschortende voorwaarden van het verkrijgen van een bouwvergunning, van de toelating om een steenkapperij-bedrijf op te richten en van een lening;
- de verkoopovereenkomst bepaalt geen termijn waarbinnen deze voorwaarden moeten worden vervuld;
- de partijen zitten gedurende meer dan vijf jaar stil;
- nadat de verweerders uiteindelijk hun voornemen kenbaar maken om het perceel aan een derde te verkopen, verklaart de eiser, bij aangetekende brief van 21 september 1999, afstand te doen van voormelde voorwaarden en een notaris te hebben gelast met de voorbereiding van de authentieke akte;
- de verweerders weigeren gevolg te geven aan het verzoek van de eiser om de authentieke akte te laten verlijden.
III. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1108, 1131, 1134, 1168, 1176, 1179, 1181, 1234, 1304, 2262 (zoals van kracht vůůr de wetswijziging van 10 juni 1998) en 2262bis (zoals inge¬voegd bij wet van 10 juni 1998) van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 821 van het Gerechtelijk Wetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk afstand van recht alleen kan wor¬den afgeleid uit feiten die voor geen andere uitleg vatbaar zijn;
- het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk er geen nietigheid bestaat zonder (wet)tekst.
Aangevochten beslissingen
Het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart in het thans bestreden arrest van 14 maart 2005 eisers hoger beroep slechts deels gegrond, hervormt het vonnis van de eerste rechter voor zover de oorspronkelijke tegenvordering van de verweerders deels gegrond werd verklaard en verklaart deze ongegrond, stelt vast dat de tussen partijen aangegane verkoopovereenkomst van 26 april 1994 van een perceel gelegen te Brecht aan de Dijkstraat, ten kadaster bekend onder wijk D nr. 762/B, teniet is gegaan en veroordeelt de eiser tot de kosten van het hoger beroep, en dit op volgende gronden:
¿(De eiser), die voorhoudt een subjectief recht te hebben, heeft hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van dit subjectief recht dat door (de eiser) wordt ingeroepen betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering. De omstandigheid dat de vordering niet werd ingesteld door de echtgenote van (de eiser), maakt de vordering niet onontvankelijk. Het incidenteel beroep is ongegrond.
Tussen partijen werd een geldige verkoopovereenkomst gesloten. De omstandigheid dat de aankoop eventueel ook door de echtgenote van (de eiser) had moeten geschieden (art. 1418 B.W.), vormt een relatieve nietigheid, die enkel door de beschermde partij - de echtgenote - kan worden ingeroepen. In hoger beroep brengen (de verweerders) een exemplaar van de onderhandse akte van verkoop in hun bezit voor, waaruit blijkt dat de echtgenote van (de eiser) de onderhandse akte van aankoop heeft ondertekend.
Te dezen werd de uitvoering van de verbintenissen uit de koopovereenkomst gekoppeld aan een aantal opschortende voorwaarden. De koopovereenkomst zelf is onvoorwaardelijk en bindt de partijen.
In de onderhandse akte is er geen bepaling opgenomen van de termijn binnen dewelke de opschortende voorwaarden vervuld moeten zijn. Algemeen wordt (aan)genomen dat deze voorwaarden binnen een redelijke termijn moeten vervuld zijn. (De eiser) toont niet aan dat de opschortende voorwaarden in de periode van meer dan vijf jaar zich hebben vervuld. Integendeel doet (de eiser) afstand van de opschortende voorwaarden.
De opschortende voorwaarden zijn in het voordeel van de koper, zijnde (de eiser). Hij kan daarvan in principe afstand doen. Dit kan hij echter niet meer wanneer door tijdsverloop dient te worden aangenomen dat de opschortende voorwaarden redelijkerwijze niet meer in vervulling zullen gaan. (De eiser) heeft pas gereageerd op het ogenblik dat (de verweerders) het perceel in kwestie opnieuw te koop aanboden.
(De eiser) heeft nooit te gepasten tijde aangedrongen op de levering van het onroerend goed door aan te dringen op het verlijden van de notariŽle akte. Door zijn houding - meer dan vijf jaar stilzitten - is hij thans niet meer gerechtigd om de uitvoering van de overeenkomst te vorderen. De door (de verweerders) ingeroepen grond van benadeling van meer dan (...) zeven twaalfden vergt geen nader onderzoek meer. De hoofdvordering van (de eiser) blijft afgewezen.
(De verweerders) van hun kant hebben (de eiser) nooit in gebreke gesteld om hangende de opschortende voorwaarden hun contractuele verplichtingen na te komen. (De verweerders) kunnen dan ook niet de ontbinding van de verkoop, die overigens teniet is gegaan, overeenkomstig art. 1184 B.W. vragen.
(De eiser) roept irrelevant art. 1178 B.W. in om te stellen dat er gedwongen uitvoering van de verbintenis is. Dit artikel geldt enkel in het voordeel van de schuldeiser, die wegens de fout van de koper de gedwongen uitvoering in natura van de verbintenis kan vragen. Het hof kan enkel vaststellen dat door het niet in vervulling gaan van de opschortende voorwaarden binnen een redelijke termijn de verkoopovereenkomst zelf is teniet gegaan¿.
Grieven
Het hof van beroep stelde vast (arrest p. 3, ¿in feite¿ en p. 6, bovenaan) dat (1) bij onderhandse akte van 26 april 1994 de eiser en zijn echtgenote een perceel grond kochten van de verweerders, voor een welbepaalde prijs, waarop een voorschot werd betaald, (2) de verkoop werd gedaan onder de opschortende voorwaarden van het bekomen van een bouwvergunning, het verkrijgen van de toelating om een bedrijf klasse 2 op te richten en het bekomen van een lening, (3) in de onderhandse akte geen bepaling opgenomen is van de termijn binnen dewelke de opschortende voorwaarden vervuld moeten zijn, en (4) de verweerders bij aangetekende brief van 21 september 1999 werden ingelicht van het feit dat de eiser afstand deed van de in de overeenkomst voorziene opschortende voorwaarden en de eiser meedeelde een notaris gelast te hebben met de voorbereiding van de aankoopakte.
Het hof van beroep oordeelt (arrest p. 5, ¿beoordeling¿, tweede en derde alinea en p. 6, tweede alinea) dat (1) tussen partijen een geldige verkoopovereenkomst werd gesloten, (2) de uitvoering van de verbintenissen uit de koopovereenkomst gekoppeld werd aan een aantal opschortende voorwaarden, (3) de koopovereenkomst zelf onvoorwaardelijk is en de partijen bindt en (4) de koper, in wiens voordeel de opschortende voorwaarden in de koopovereenkomst zijn opgenomen, in principe afstand kan doen van deze opschortende voorwaarden.
Eerste onderdeel
Luidens artikel 1168 van het Burgerlijk Wetboek is een verbintenis voorwaardelijk wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben, hetzij (...).
Artikel 1181 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een verbintenis onder opschortende voorwaarde aangegaan, die is welke afhangt ofwel van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad maar aan partijen nog onbekend is. In het eerste geval kan de verbintenis niet uitgevoerd worden dan nadat de gebeurtenis heeft plaatsgehad.
Naar luid van artikel 1176 van hetzelfde wetboek, wanneer een verbintenis is aangegaan onder voorwaarde dat een gebeurtenis binnen een bepaalde tijd zal plaatshebben, wordt die voorwaarde voor onvervuld gehouden, wanneer de tijd verlopen is zonder dat de gebeurtenis heeft plaatsgehad. Indien geen tijd bepaald is, kan de voorwaarde altijd vervuld worden en wordt zij eerst geacht onvervuld te zijn wanneer het zeker geworden is dat de gebeurtenis niet zal plaatshebben.
Luidens artikel 1179 van hetzelfde wetboek werkt de vermelde voorwaarde terug tot op de dag waarop de verbintenis is aangegaan.
Aldus wordt geenszins opgelegd dat de opschortende voorwaarde waaronder een verbintenis werd aangegaan, vervuld moet worden binnen een ¿redelijke termijn¿.
Het louter verstrijken van een, zelfs ¿redelijke¿ termijn kan, wat betreft verbintenissen die onder opschortende voorwaarde doch zonder tijdsbepaling, werden aangegaan, niet tot gevolg hebben dat het zeker is geworden dat de gebeurtenis, die het voorwerp uitmaakt van de voorwaarde, niet meer zal plaatshebben. Zelfs de vaststelling dat men mag aannemen dat ingevolge tijdsverloop de opschortende voorwaarde ¿redelijkerwijze¿ niet meer in vervulling zal gaan, houdt niet in dat het zeker is geworden dat de gebeurtenis, die het voorwerp uitmaakt van de voorwaarde, niet meer zal plaatshebben.
Het louter stilzitten van de persoon in wiens voordeel de opschortende voorwaarde bij een overeenkomst werd opgenomen, gedurende een bepaalde, zelfs ¿redelijke termijn¿, kan derhalve niet met zich meebrengen dat de opschortende voorwaarde, waaraan de uitvoering van de verbintenissen van de overeenkomst werd onderworpen, als niet vervuld moet worden geacht, dat de betreffende persoon geen afstand meer zou kunnen doen van de opschortende voorwaarde en dat hij niet meer gerechtigd zou zijn de uitvoering van de overeenkomst te vorderen.
Luidens artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek strekken wettig aangegane overeenkomsten hen die ze hebben aangegaan, tot wet.
Door te oordelen (1) dat de opschortende voorwaarde waaronder een verbintenis werd aangegaan, zich moet voordoen binnen een redelijke termijn, (2) dat men geen afstand kan doen van de opschortende voorwaarde wanneer door tijdsverloop dient te worden aangenomen dat de opschortende voorwaarde redelijkerwijze niet meer in vervulling zal gaan en (3) dat door zijn stilzitten de eiser niet meer gerechtigd is om de uitvoering van de overeenkomst te vorderen, miskent het hof van beroep dienvolgens alle in dit onderdeel vermelde wetsbepalingen (schending van de artikelen 1134, 1168, 1176, 1179 en 1181 van het Burgerlijk Wetboek).
Tweede onderdeel
Afstand van recht, in de zin van artikel 821 van het Gerechtelijk Wetboek, kan, overeenkomstig een algemeen rechtsbeginsel, slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.
Het hof van beroep erkent dat de eiser het recht had afstand te doen van de opschortende voorwaarden die in zijn voordeel waren bedongen. Mogelijk oordeelt het hof, gelet op het geheel van de overwegingen waarmee het zijn beslissing schraagt, dat de eiser afstand deed van zijn recht afstand te doen van de opschortende voorwaarden.
Uit het louter verloop van tijd kan echter geen afstand van het recht om afstand te doen van de opschortende voorwaarden waaronder een verbintenis werd aangegaan en om de uitvoering van de overeenkomst te vorderen, worden afgeleid. Evenmin kan dergelijke afstand van recht derhalve worden afgeleid uit het louter stilzitten van de titularis van het recht. Dit tijdsverloop en dit stilzitten zijn immers ook voor een andere uitlegging vatbaar.
In de mate dat het hof van beroep, door de overweging dat eiser door zijn houding - meer dan vijf jaar stilzitten - ¿niet meer gerechtigd¿ is om de uitvoering van de overeenkomst te vorderen zou hebben geoordeeld dat de eiser afstand had gedaan van zijn recht om zich op de afstand van de opschortende voorwaarden waaronder de verbintenissen waren aangegaan, te beroepen en om de uitvoering van de overeenkomst te vorderen, miskent het hof van beroep dienvolgens genoemde wetsbepaling en algemeen rechtsbeginsel (schending van artikel 821 van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk de afstand van recht slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn).
Derde onderdeel
Luidens een algemeen rechtsbeginsel bestaat er geen nietigheid (van een rechtshandeling) zonder (wet)tekst.
Overeenkomstig artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek gaan verbintenissen teniet door betaling, schuldvernieuwing, vrijwillige schuldkwijtschelding, schuldvergelijking, schuldvermenging, verlies van de zaak, nietigverklaring of vernietiging, door de werking van de ontbindende voorwaarde of door verjaring.
Noch het louter verloop van tijd, noch het louter stilzitten van de contractant die zich onder opschortende voorwaarde verbonden heeft, kunnen opgevat worden als een betaling, schuldvernieuwing, vrijwillige schuldkwijtschelding, schuldvergelijking, schuldvermenging, verlies van de zaak of de realisatie van de ontbindende voorwaarde, waardoor de overeenkomst zou tenietgaan, noch als een nietigverklaring of vernietiging in de zin van artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek.
Het stilzitten gedurende ¿meer dan vijf jaar¿ kan evenmin opgevat worden als het verstrijken van de verjaringstermijn voor het kunnen vorderen van de uitvoering van een overeenkomst, zoals bepaald, vůůr de wetswijziging van 10 juni 1998, in artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek (30 jaar) of thans, na de wetswijziging van 10 juni 1998, in artikel 2262bis van hetzelfde wetboek (10 jaar).
Anderzijds is, overeenkomstig artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek, voor de geldigheid van een overeenkomst ondermeer een bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenis vereist. Luidens artikel 1131 van hetzelfde wetboek kan een verbintenis aangegaan zonder voorwerp geen gevolg hebben. Behoudens in het geval waarin de wet aanneemt dat de handeling op zichzelf kan bestaan en van haar oorzaak kan worden gescheiden, is de geldigheid van een rechtshandeling, ongeacht of ze eenzijdig of wederkerig is, onderworpen aan het bestaan van een oorzaak; het bestaan van een oorzaak moet worden beoordeeld op het ogenblik van de totstandkoming van de handeling waarvan zij een geldigheidsvereiste is en de latere verdwijning ervan kan in de regel geen gevolgen hebben voor de geldigheid van de handeling. Voor zover de omstandigheid dat de opschortende voorwaarde waaronder eiser verbintenissen was aangegaan, gelet op het verloop van tijd en de eisers stilzitten, redelijkerwijze niet meer in vervulling zou gaan, zou kunnen worden opgevat als het tenietgaan van de oorzaak van de overeenkomst, kon dit geen gevolgen hebben voor de geldigheid van de handeling.
Aldus kon het hof van beroep niet wettig oordelen dat de koopovereenkomst ¿teniet is gegaan¿ (schending van de artikelen 1108, 1131, 1234, 1304, 2262 (oud) van het Burgerlijk Wetboek en 2262bis (nieuw) Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk er geen nietigheid (van de rechtshandeling) kan bestaan zonder (wet)tekst).
IV. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. Artikel 1168 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een verbintenis voorwaardelijk is, wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben, hetzij door ze teniet te doen, naargelang de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft.
Artikel 1181, eerste en tweede lid, van hetzelfde wetboek bepaalt dat een verbintenis onder een opschortende voorwaarde aangegaan, die is welke afhangt ofwel van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is en dat, in het eerste geval, de verbintenis niet kan worden uitgevoerd dan nadat de gebeurtenis heeft plaatsgehad.
Artikel 1176 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, wanneer een verbintenis is aangegaan onder voorwaarde dat een gebeurtenis binnen een bepaalde tijd zal plaatshebben, die voorwaarde voor onvervuld wordt gehouden wanneer de tijd verlopen is zonder dat de gebeurtenis heeft plaatsgehad. Indien geen tijd bepaald is, kan de voorwaarde altijd vervuld worden. Zij wordt eerst geacht onvervuld te zijn wanneer het zeker geworden is dat de gebeurtenis niet zal plaatshebben.
2. Uit voormelde bepalingen volgt dat, wanneer bij overeenkomst een verbintenis is aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat een gebeurtenis zal plaatshebben en geen tijdspanne is bepaald waarbinnen de bedoelde gebeurtenis uiterlijk moet plaatshebben, die gebeurtenis in beginsel onbeperkt in de tijd kan plaatshebben en de voorwaarde pas voor onvervuld kan worden gehouden wanneer redelijkerwijze vaststaat dat de bedoelde gebeurtenis niet meer zal plaatshebben.
De feitenrechter kan oordelen dat gelet op het verloop van tijd redelijkerwijze vaststaat dat de bedoelde gebeurtenis niet meer zal plaatshebben.
3. Wanneer bij overeenkomst de verbintenissen zijn aangegaan onder opschortende voorwaarde zonder bepaling van een tijdspanne en de voorwaarde voor onvervuld wordt gehouden, krijgen de voorwaardelijke verbintenissen nooit uitvoering en houdt de overeenkomst waarvan zij het voorwerp uitmaken, op te bestaan.
4. De appelrechter oordeelt dat op grond van de omstandigheden van het onderhavige geval en gelet op het verloop van tijd, redelijkerwijze vaststaat dat de bedoelde gebeurtenissen niet meer zullen plaatshebben.
Op die gronden beslist de appelrechter dat de opschortende voorwaarden voor onvervuld kunnen worden gehouden en dat de verkoopovereenkomst waarvan zij het voorwerp uitmaken, ophoudt te bestaan zodat de eiser geen afstand meer kan doen van de voorwaarden.
5. Zodoende verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
6. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat:
- de appelrechter oordeelt dat naargelang van de omstandigheden van het onderhavige geval, gelet op het verloop van tijd, redelijkerwijze vaststaat dat de bedoelde gebeurtenissen niet meer zullen plaatshebben;
- de appelrechter op die gronden beslist dat de opschortende voorwaarden voor onvervuld worden gehouden en de verkoopovereenkomst waarvan zij het voorwerp uitmaken, ophoudt te bestaan zodat de eiser geen afstand meer kan doen van de voorwaarden.
7. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechter beslist dat de eiser geen afstand meer kan doen van de voorwaarden omdat hij gedurende vijf jaar heeft stil gezeten, mist feitelijke grondslag.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Derde onderdeel
8. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat:
- de appelrechter oordeelt dat naargelang van de omstandigheden van het onderhavige geval, gelet op het verloop van tijd, redelijkerwijze vaststaat dat de bedoelde gebeurtenissen niet meer zullen plaatshebben;
- de appelrechter op die gronden beslist dat de opschortende voorwaarden voor onvervuld worden gehouden en de verkoopovereenkomst waarvan zij het voorwerp uitmaken, ophoudt te bestaan zodat de eiser geen afstand meer kan doen van de voorwaarden.
9. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechter beslist dat de voorwaardelijke verbintenissen gelet op het verloop van tijd zijn teniet gegaan, mist feitelijke grondslag.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
De kosten zijn begroot op de som van 908,36 euro jegens de eisende partij.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 25 mei 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be