Rechtsmacht - factuurvoorwaarden


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



Hof van beroep
te Gent

12 Kamer
________

Terechtzitting
van
03 juni 2009


In de zaak met het rolnummer 2007/AR/2989 van:

bv PATISSERIE JACK HEESEN,
met zetel te NL 6446 AX Brunssum,Pijler 49,

appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de vierde kamer dd. 24-9-2007, oorspronkelijk verwerende partij op hoofdeis,
hebbende als raadslieden mr. WOUTERS Eric en mr. DECKERS Paul, beiden advocaat te 3600 Genk, Collegelaan 14 bus 3

tegen :

nv DE BRANDT DAIRY INTERNATIONAL,
met zetel te 9200 Dendermonde, Hoogveld 89,
met ondernemingsnr. 0400.282.475,

geÔntimeerde, oorspronkelijk eisende partij op hoofdeis,
hebbende als raadsman mr. VAN LEMBERGEN Patrick, advocaat te 9200 Dendermonde, Gentsesteenweg 2 ;


velt het hof het volgend arrest.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien.
Bij akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 14 december 2007, heeft de vennootschap naar Nederlands recht b.v. Patisserie Jack Heesen (hierna "Heesen" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 24 september 2007 tussen partijen op tegenspraak gewezen werd door de vierde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde.


Antecedenten


I.


1. De nv De Brandt Dairy International (hierna "De Brandt" genoemd) zet uiteen dat zij op 2 mei 2002 een overeenkomst sloot met de bv Tanis Banket voor de verkoop van 120.000 kg boter. Daarvan was 108.000 kg bestemd voor de bv Tanis Banket en 12.000 kg voor Heesen.

De Brandt leverde op 9 augustus 2002, 29 augustus 2002 en 5 september 2002 telkens 4.000 kg boter aan Heesen. De door Heesen ondertekende aflevernota's bevatten de vermelding "Onder toepassing van de EEG Verordening 2571/97." Diezelfde tekst komt ook voor op de drie facturen voor een bedrag van 9.398,80 EUR elk, die De Brandt op de respectieve leveringsdata opstelde. Uit deze facturen blijkt dat aan Heesen nettoprijzen aangerekend werden. Zij vermelden de brutoprijs van de boter (12.638,80 EUR), waarvan de subsidie (3.240,00 EUR) in mindering werd gebracht.


2. Bij brieven van 19 maart 2003 liet het Nederlandse Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan De Brandt weten dat de toegewezen steun of subsidie niet zou worden uitbetaald, omdat Heesen een niet erkende verwerker was. Bovendien werd daarin meegedeeld dat De Brandt, op grond van de Mededeling Boter n° 1/98, een inschrijvingswaarborg verschuldigd was.

Op 22 mei 2003 factureerde De Brandt 13.920,00 EUR aan Heesen. Deze som bestond uit de totaliteit van de niet uitbetaalde subsidies (het verschil tussen de bruto- en de nettoprijs van de boter), vermeerderd met de inschrijvingswaarborg.

Heesen betaalde deze factuur niet. Na ingebrekestellingen van 30 juli 2003, 1 september 2003 en 18 november 2003, betwistte zij betaling verschuldigd te zijn. Zij argumenteerde dat zij niet gevraagd had aan De Brandt om geen verklikboter te leveren, maar interventieboter, zoals bedoeld in EG-Verordening 2571/97. Bovendien argumenteerde zij dat De Brandt de regels van deze Verordening niet had nageleefd en dat de niet-uitbetaling van de subsidie volledig daaraan te wijten was.


II.


1. Bij dagvaarding van 17 mei 2004 vorderde De Brandt de veroordeling van Heesen tot betaling van 16.669,68 EUR, meer de conventionele intresten aan 10% op 13.920,00 EUR vanaf 11 mei 2004 tot de datum van de volledige betaling, evenals de gedingkosten.

Het gevorderde bedrag bestond uit de hoofdsom van de factuur van 22 mei 2003, vermeerderd met 1.357,68 EUR vervallen intresten en een forfaitaire schadevergoeding van 1.392,00 EUR.

Volgens De Brandt was de rechtbank van koophandel te Dendermonde bevoegd op grond van het forumbeding, vervat in haar algemene verkoopsvoorwaarden. Zij beriep zich daarvoor op artikel 23 van de EEX-Verordening, dat primeerde op het door Heesen ingeroepen artikel 5.1.b) van dezelfde Verordening. Zij stelde ook dat, in toepassing van artikel 9, lid 1 van het Weens Koopverdrag, de partijen gebonden waren door handelwijzen die tussen hen waren ontstaan. Zij wees er bovendien op dat, op grond van artikel 57.1.a) van het Weens Koopverdrag, de koper dient te betalen op de vestiging van de verkoper.

Ten gronde zette De Brandt uiteen dat zij in haar oorspronkelijke facturen de door haar te ontvangen subsidie in mindering had gebracht van de brutoprijs van de boter. Zij benadrukte dat zij uitdrukkelijk vermeld had dat de subsidies in mindering waren gebracht onder voorbehoud van de toepassing door Heesen van alle voorwaarden van EG-Verordening 2571/97. In de mate dat achteraf bleek dat Heesen niet voldeed aan de voorwaarden voor het aankopen van subsidieboter, diende zij volgens De Brandt dan ook de brutoprijs te betalen.

In conclusies vorderde De Brandt in ondergeschikte orde de veroordeling van Heesen tot betaling van 13.920,00 EUR, meer de vergoedende intrest aan de wettelijke rentevoet op 9.720,00 EUR vanaf 30 juli 2003 tot 17 mei 2004 en de gerechtelijke vergoedende intrest vanaf 17 mei 2004 tot de dag van algehele betaling, evenals de vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet op 4.200,00 EUR vanaf 2 april 2003 tot 17 mei 2004 en de gerechtelijke vergoedende intrest vanaf 17 mei 2004 tot de dag van algehele betaling. Zij steunde deze subsidiaire vordering op de precontractuele aansprakelijkheid van Heesen, die subsidieboter had aangekocht, alhoewel zij niet erkend was. Dat dit wetens en willens gebeurd was, bleek volgens De Brandt uit het feit dat Heesen, voorafgaand aan de bestelling, een aanvraag had ingediend om erkend te worden.


2. Heesen achtte de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van de vordering en besloot tot de onontvankelijkheid daarvan. Zij stelde dat de partijen geen rechter hadden aangewezen in de zin van artikel 23 van de EEX-Verordening op grond waarvan de Belgische rechtbanken rechtsmacht zouden hebben. Zij argumenteerde dat tussen hen geen regelmatige handelsbetrekkingen hadden bestaan. Bovendien wees zij erop dat, op grond van artikel 5.1.b) van de EEX-Verordening, de rechtbanken van de effectieve plaats van levering bevoegd waren.

Ten gronde argumenteerde Heesen dat de overeenkomst tussen partijen inhield dat zij 12.000 kg boter kocht tegen de prijs van 234,97 EUR per 100 kilogram. Zij stelde dat zij deze prijs betaald had bij ontvangst van de goederen en dat zij niet gebonden was door de vermeldingen, aangebracht op de facturen, die zij pas daarna ontving. Zij ontkende zich verbonden te hebben om de gevorderde sommen te betalen boven de nettoprijs die zij vereffend had. Verder betoogde Heesen dat De Brandt tegenover haar geen argument kon putten uit de overeenkomst die zij gesloten had met de bv Tanis Banket. Heesen ontkende dat zij De Brandt misleid had of verkeerd had ingelicht. Zij herhaalde dat het De Brandt was die de regels met het oog op het bekomen van subsidie niet had nageleefd. In zeer ondergeschikte orde betwistte Heesen de toepasselijkheid van de algemene verkoopsvoorwaarden van De Brandt.


3. De eerste rechter verklaarde de vordering van De Brandt ontvankelijk en in de volgende mate gegrond: hij veroordeelde Heesen tot betaling aan De Brandt van 13.920,00 EUR, te vermeerderen met de moratoire rente aan de gerechtelijke intrestvoet vanaf 22 mei 2003 tot de datum der betaling; bovendien veroordeelde hij Heesen tot de gedingkosten.

De eerste rechter achtte de exceptie van onbevoegdheid niet toelaatbaar, omdat Heesen niet voldeed aan de verplichting van artikel 855 van het gerechtelijk wetboek, op grond waarvan de partij die de bevoegdheid afwijst, moet meedelen welke rechter volgens haar bevoegd is.

Ten gronde overwoog hij dat uit de facturatie en de afleveringsbons bleek dat de levering van de boter gebeurde onder de toepassing van de EG-Verordening 2571/97 en dat Heesen niet kon voorhouden daarvan onwetend te zijn. Verder stelde hij vast dat Heesen de factuur van 22 mei 2003 niet had geprotesteerd en op de ingebrekestellingen niet had gereageerd. Volgens de eerste rechter was het duidelijk dat Heesen gepoogd heeft om gesubsidieerde boter te kopen, terwijl zij wist dat zij niet aan de voorwaarden daartoe voldeed, zodat De Brandt de bedragen die haar door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij werden opgelegd, terecht terugvorderde. De conventionele rente kende de eerste rechter niet toe, omdat de vordering geen betrekking had op leveringen conform de btw-wetgeving.


III.


1. Heesen vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtsprekend, in toepassing van artikel 5,1.b) EEX-Verordening oordeelt dat de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vordering en geoordeeld heeft dat de vordering ontvankelijk was.

Zij vraagt dat het hof zou vaststellen dat de eerste rechter in het bestreden vonnis onvoldoende of niet geantwoord heeft op haar argumenten en middelen. Minstens vraagt zij dat de oorspronkelijke vordering als ongegrond wordt afgewezen en dat De Brandt veroordeeld wordt tot de gedingkosten in beide aanleggen.

Heesen herhaalt de middelen die zij geformuleerd heeft voor de eerste rechter. Zij benadrukt dat er geen handelsrelatie bestond tussen haar en De Brandt en stelt dat er in die omstandigheden geen sprake kan zijn van gebruikelijke handelwijzen tussen partijen in de zin van artikel 9 van het Weens Koopverdrag. Zij argumenteert dat de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd verklaard heeft, steunend op artikel 855 van het gerechtelijk wetboek. Verder besluit zij tot de nietigheid van het bestreden vonnis, omdat daarin niet geantwoord werd op de door haar opgeworpen middelen.


2. De Brandt besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij stelt incidenteel hoger beroep in en vraagt de veroordeling van Heesen tot betaling van alle bedragen, zoals door haar gevorderd in eerste aanleg.

Ook De Brandt herneemt de middelen die zij geformuleerd heeft voor de eerste rechter. Ter staving van haar incidenteel hoger beroep argumenteert zij dat de door haar voorgelegde documenten van het Ministerie van Landbouw, Visserij en Natuurbeheer, debetnota's zijn en dat zij gerechtigd is deze terug te vorderen door middel van een factuur. Bovendien wijst zij erop dat de koper de brutoprijs dient te betalen, indien hij niet voldoet aan de voorwaarden voor het aankopen van subsidieboter. Zij besluit dat op de gevorderde som haar algemene verkoopsvoorwaarden van toepassing zijn en dat Heesen bijgevolg conventionele rente en schadevergoeding verschuldigd is.


Beoordeling


I.


Er ligt geen exploot van betekening voor van het bestreden vonnis. De Brandt verklaart evenwel dat het op 27 november 2007 betekend werd, wat door Heesen niet wordt betwist. Het hoger beroep, dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk.


II.

1. De vordering van De Brandt - die een Belgische vennootschap is - zoals ingeleid voor de eerste rechter, strekte ertoe Heesen - een vennootschap naar Nederlands recht, waarvan de zetel gevestigd is in Brunssum (Nederland) - te horen veroordelen tot betaling van een onbetaald gebleven factuur van 22 mei 2003.


2. De eerste rechter heeft - ambtshalve en zonder desbetreffend de debatten te heropenen teneinde de partijen toe te laten daarover standpunt in te nemen - besloten tot de ontoelaatbaarheid van de door Heesen opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, omdat niet voldaan was aan de vereiste van artikel 855 van het gerechtelijk wetboek. Daarin wordt aan de partij, die de bevoegdheid afwijst van de rechter voor wie de zaak aanhangig is, opgelegd om mede te delen welke rechter volgens haar bevoegd is.

Wanneer Heesen van meet af aan opwierp dat de rechtbank van koophandel te Dendermonde "onbevoegd" was om kennis te nemen van het geschil tussen partijen, betrof deze exceptie niet de materiŽle of territoriale bevoegdheid van deze rechtbank, maar de daaraan voorafgaande vraag naar de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken. Heesen hield immers niet voor dat een andere Belgische rechtbank dan de rechtbank van koophandel te Dender-monde materieel en/of territoriaal bevoegd was om van het geschil kennis te nemen. Door te verwijzen naar bepalingen van de Verordening (EG) 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L, 16 januari 2001, afl. L.12,1), de zogenaamde EEX-Verordening, gaf Heesen te kennen dat het geschil volgens haar niet tot het imperium van de Belgische rechterlijke orde behoort (vgl.: LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, 2008, nr. 414-416, p. 227-228).

Wanneer een gedaagde partij, zoals in het voorliggend geval, opwerpt dat de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben, dan is de toelaatbaarheid van deze exceptie niet onderworpen aan de voorwaarde, gesteld door artikel 855 van het gerechtelijk wetboek (CASTERMANS, M., Gerechtelijk Privaatrecht, 2004, nr. 114, p. 70). Anders dan wanneer de gevatte rechter tot de vaststelling komt dat hij materieel of territoriaal onbevoegd is, kan de rechter die geen rechtsmacht heeft de zaak trouwens niet verwijzen naar de instantie die wel over rechtsmacht beschikt (CASTERMANS, M., a.w. , t.a.p.).


3. De vraag welke rechter kan oordelen over het voorliggende geschil dient beslecht te worden overeenkomstig de EEX-Verordening. Daarover bestaat tussen de partijen als zodanig geen betwisting, aangezien zij zich beiden beroepen op bepalingen van deze Verordening.


4. Volgens artikel 2.1 van de EEX-Verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Zij kunnen slechts voor de rechtbanken van een andere lidstaat worden opgeroepen op ťťn van de gronden, aangehaald in de artikelen 5 tot en met 24 van de EEX-Verordening (art. 3.1 EEX-Verordening). Aangezien Heesen een in Nederland gevestigde vennootschap is, beschikken de Belgische rechtbanken op grond van artikel 2.1 van de EEX-Verordening niet over rechtsmacht.


5. Wanneer de partijen, van wie er ten minste ťťn woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van de geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van deze lidstaat bevoegd (artikel 23.1 EEX-Verordening). Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:
- hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst,
- hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden,
- hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.


6. Er ligt geen schriftelijke overeenkomst voor, noch een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, waarin de rechter van een lidstaat wordt aangewezen.

Volgens De Brandt is er een overeenkomst tot aanwijzing van de Belgische rechtbanken, meer bepaald de rechtbank (van koophandel) van Dendermonde, tot stand gekomen ingevolge het gebrek aan protest en de betaling door Heesen van de facturen van De Brandt, waarin op de voorzijde verwezen wordt naar haar algemene verkoopsvoorwaarden op de keerzijde, waarin een forumbeding voorkomt.

6.1. De Brandt legt een "uittreksel van onze algemene verkoops- en leveringsvoorwaarden" voor, waarin onder meer bedongen is: "Voor de uitlegging en tenuitvoerlegging van de verkoop en voor elk geschil dat rijst in verband met de sluiting, tenuitvoerlegging of beŽindiging van het contract, verklaren de partijen bij uitsluiting aan de rechtbank van het arrondissement Dendermonde bevoegdheid te verlenen onverminderd het recht van de Group De Brandt Dairy International haar vordering in te stellen voor de rechtbanken die krachtens artikel 624 van het gerechtelijk wetboek bevoegd worden bevonden" (stuk 2a van De Brandt).

Daarnaast legt hij "Algemene verkoopvoorwaarden - N.V. De Brandt Dairy International" voor, waarin het volgende beding voorkomt: "Alle direct of indirect aan het contract, de aankooporder, de bestelling of deze algemene voorwaarden of hun geldigheid, uitvoering, interpretatie of beŽindiging gerelateerde geschillen worden voorgelegd aan het exclusief bevoegde hof van Dendermonde, BelgiŽ" (stuk 2b van De Brandt).

De Brandt houdt voor dat deze voorwaarden - zonder te verduidelijken welke van de twee versies - vermeld waren op de keerzijde van de facturen die zij aan Heesen heeft gericht en dat daarnaar wordt verwezen op de voorzijde van deze facturen.

Er ligt kopie voor van - de voorzijde - van vier facturen: op deze van 9 augustus 2002, 29 augustus 2002 en 5 september 2002 komt geen enkele verwijzing voor naar algemene verkoopsvoorwaarden op de keerzijde. Dit is overigens evenmin het geval op de door Heesen ondertekende aflevernota's. Op de litigieuze factuur van 22 mei 2003 staat vermeld: "Algemene verkoopsvoorwaarden: zie ommezijde." Deze laatste factuur verschilt volledig van model en uitzicht van de drie andere.

6.2. Het akkoord dat volgens artikel 23.1 EEX-Verordening (voorheen artikel 17 EEX-Verdrag) tussen partijen moet bestaan tot aanwijzing van een bevoegde rechter, kan niet worden afgeleid uit het uitblijven van elke reactie op het ontvangen, na het sluiten van het contract zelf, van een factuur of van algemene voorwaarden, waarin een forumbeding is opgenomen, noch uit de uitvoering van de overeenkomst (vgl.: COUWENBERG, I., Gerechtelijk Recht, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Art. 17 EEX - p. 15). Dit is nochtans anders en er kan aangenomen worden dat aan het vereiste van artikel 23.1 EEX-Verordening wel is voldaan, wanneer uit voorgaande regelmatige handelsbetrekkingen kan afgeleid worden dat de medecontractant het forumbeding op de keerzijde van de facturen kende en aanvaardde.

De Brandt toont niet aan dat er, voorafgaand aan de litigieuze transactie, regelmatige handelsbetrekkingen waren tussen haar en Heesen, die aanleiding gaven tot het opmaken van facturen, waarop het forumbeding voorkwam dat zij inroept. Heesen wijst erop dat de bestelling van 12.000 kg boter, waaruit de betwisting voortvloeit, de enige is die zij ooit gedaan heeft bij De Brandt. Deze toont het tegendeel niet aan en houdt zelfs niet voor dat er eerder overeenkomsten zijn geweest tussen partijen.

Heesen heeft niet vroeger dan bij ontvangst van de facturen van 9 augustus 2002, 29 augustus 2002 en 5 september 2002 kennis genomen van het forumbeding dat vervat is in ťťn van de versies van de algemene verkoopsvoorwaarden van De Brandt.

De loutere vaststelling dat, op de keerzijde van drie facturen, die alle uitgegeven werden in uitvoering van dezelfde - allereerste - overeenkomst tussen partijen, een forumbeding is opgenomen, waarnaar op de voorzijde niet eens verwezen wordt, volstaat niet om, naar aanleiding van een geschil over de vierde factuur in het kader van dezelfde overeenkomst, te besluiten dat tussen partijen een overeenkomst over dit forumbeding tot stand is gekomen in een vorm die toegelaten werd door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden.

Er kan immers slechts sprake zijn van gebruikelijke handelwijzen wanneer een courante handelsrelatie bestaat tussen partijen die de betreffende handelwijze voldoende lang toepassen om verplichtingen naar de toekomst te scheppen. Dit is niet het geval wanneer de partijen slechts eenmalig met elkaar gecontracteerd hebben. De omstandigheid dat de leveringen in uitvoering van deze overeenkomst aanleiding hebben gegeven tot het opstellen van drie afzonderlijke facturen in een periode van vier weken, doet daaraan geen afbreuk.

6.3. Evenmin toont De Brandt aan dat de vermelding van een forumbeding op de keerzijde van de factuur, zonder enige voorafgaande mededeling, overeenstemt met een gewoonte, die geldt in de branche van de internationale handel, waarin de partijen werkzaam zijn en dat zij dit gebruik kennen of geacht worden te kennen (vgl.: H.v.J., 16 maart 1999, nr. C-159/97, Castelletti Spedizioni Internazionali, R.W., 1999-2000, 209).

De Brandt kan er in dit verband niet mee volstaan te verwijzen naar de bewijskracht van de factuur en de factuurvoorwaarden ingeval van stilzwijgende aanvaarding ervan naar Belgisch handelsrecht, of in algemene termen voor te houden dat het in de internationale handel gebruikelijk zou zijn standaardvoorwaarden op te nemen in algemene factuurvoorwaarden.

Zij reikt geen enkel gegeven aan, waaruit zou kunnen besloten worden dat de door haar toegepaste handelwijze doorgaans in acht genomen wordt in haar handelsbranche, noch dat Heesen daarvan op de hoogte was of moest zijn.

6.4. Uit de voorafgaande overwegingen volgt meteen dat, voor zover zij ter zake dienend zou kunnen zijn, De Brandt geen argument kan putten uit artikel 9 van het Weens Koopverdrag van 11 april 1980, waarin bepaald wordt dat de partijen gebonden zijn door elke gewoonte waarmee zij hebben ingestemd en door alle handelwijzen die tussen hen gebruikelijk zijn.

6.5. Het hof besluit dat de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht om kennis te nemen van het geschil tussen partijen kunnen putten uit een overeenkomst tot aanwijzing van een rechter op grond van artikel 23.1 van de EEX-Verordening.


7. Volgens artikel 5.1.a) van de EEX-Verordening kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, opgeroepen worden voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet uitgevoerd worden.

Artikel 5.1.b) van de EEX-Verordening bepaalt: "voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt: - voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden; (...)".

7.1. De partijen betwisten niet dat het huidig geschil verband houdt met en voortvloeit uit de verkoop van boter door De Brandt aan Heesen.

De loutere vaststelling dat, op de keerzijde van drie facturen, die alle uitgegeven werden in uitvoering van dezelfde - allereerste - overeenkomst tussen partijen, een forumbeding is opgenomen, waarnaar op de voorzijde niet eens verwezen wordt, volstaat niet om, naar aanleiding van een geschil over de vierde factuur in het kader van dezelfde overeenkomst, te besluiten dat tussen partijen een overeenkomst over dit forumbeding tot stand is gekomen in een vorm die toegelaten werd door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden.

7.2. Heesen verklaart dat de boter geleverd werd te Brunssum, waar haar maatschappelijke zetel gevestigd is. De Brandt spreekt dit niet tegen. Het hof stelt trouwens vast dat zowel de aflevernota's als de facturen melding maken van de Inco-term DDP ("Delivered Duty Paid" of "Franco Inclusief Rechten"), hetgeen betekent dat de verkoper de goederen ter beschikking stelt in het land van invoer.

Aangezien de goederen geleverd werden in Nederland, beschikken de Belgische rechtbanken bijgevolg evenmin over rechtsmacht op grond van artikel 5.1.b) van de EEX-Verordening. De Brandt toont bovendien niet aan dat zij rechtsmacht zouden hebben op grond van een andere bepaling van deze Verordening.


III.


1. Aangezien de eerste rechter geen rechtsmacht had om zich uit te spreken over het geschil en het hoger beroep van Heesen gegrond is, zijn de gerechtskosten in beide aanleggen ten laste van De Brandt.


2. Heesen begroot de rechtsplegingsvergoeding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op 1.100,00 EUR. Deze som stemt overeen met het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een vordering tussen 10.001 EUR en 20.000 EUR, zoals bepaald in artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het gerechtelijk wetboek.

Dit koninklijk besluit bepaalt dat de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat in werking zijn getreden op 1 januari 2008. De artikelen 1 tot en met 12 van deze wet zijn van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden (artikel 13 van deze wet). Hetzelfde koninklijk besluit van 26 oktober 2007 heeft het koninklijk besluit van 30 november 1970 "tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek" opgeheven (artikel 9 van het K.B. van 26 oktober 2007) en de nieuwe tarieven voor de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld (artikel 2 van hetzelfde K.B.). Deze nieuwe tarieven zijn toepasselijk op de procedure in hoger beroep.

De rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg dient evenwel begroot te worden volgens de op dat ogenblik geldende wetgeving, met name het koninklijk besluit van 30 november 1970, aangezien de nieuwe regeling en bedragen slechts gelden per aanleg. De nieuwe wet is enkel van toepassing op hangende zaken en niet op reeds in eerdere aanleggen beslechte zaken (vgl.: VOET, S., "Enkele praktische knelpunten bij de toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten", R.W., 2007-08, p. 1130). Het bestreden vonnis dateert van vůůr de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007.


OP DEZE GRONDEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;


Verklaart het hoger beroep van de b.v. Patisserie Jack Heesen ontvankelijk en gegrond en het incidenteel hoger beroep van de nv De Brandt Dairy International ontvankelijk, doch ongegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis en, opnieuw recht sprekend;

Verklaart zich zonder rechtsmacht;

Veroordeelt de nv De Brandt Dairy International tot de gedingkosten in beide aanleggen, aan haar zijde niet te begroten aangezien zij te haren laste zijn en aan de zijde van de b.v. Patisserie Jack Heesen begroot op 364,40 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 186,00 EUR rolrecht hoger beroep en 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Onverminderd de toepassing van artikel 1024 van het gerechtelijk wetboek.


Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 12e kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 3-6-2009.

Aanwezig:
- A. Van de Putte, raadsheer, waarnemend voorzitter ;
- E. Dursin, raadsheer;
- G. Danneels, raadsheer;
- B. De Wilde, griffier.





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be